Naar de inhoud

weervaren

gebeuren, overkomen

weervaren

werkwoord

Betekenis

  1. gebeuren, overkomen

Vervoeging van weervaren

weervarenhele werkwoord — weervoerverleden tijd enkelvoud — weervoerenverleden tijd meervoud — weervarenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik (weervaar) weervoer
jij weervaart weervoer
hij, zij, het weervaart weervoer
wij weervaren weervoeren
jullie weervaren weervoeren
zij weervaren weervoeren
Alle 56 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ben weervaren voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent weervaren voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
ev. (weervaar) gebiedende wijs
is weervaren voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is weervaren voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te weervaren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zijn weervaren actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen weervaren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart weervaren voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren weervaren voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren weervaren voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren weervaren voltooid, verleden tijd, derde persoon
was weervaren voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was weervaren voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was weervaren voltooid, verleden tijd, derde persoon
weervare aanvoegende wijs
weervaren verleden tijd, deelwoord
weervaren te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
weervaren zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
weervarend onvoltooid, deelwoord
weervoer verleden tijd
weerváren canonical
zal weervaren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal weervaren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal weervaren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal weervaren zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal weervaren zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal weervaren zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn weervaren actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn weervaren voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn weervaren voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn weervaren voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt weervaren voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou weervaren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou weervaren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou weervaren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou weervaren zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou weervaren zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou weervaren zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden weervaren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden weervaren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden weervaren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden weervaren zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden weervaren zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden weervaren zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt weervaren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt weervaren zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen weervaren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen weervaren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen weervaren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen weervaren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen weervaren zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen weervaren zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen weervaren zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult weervaren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult weervaren zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van weer en varen

Woordfamilie van weervaren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
vaar weer woordvorm weervaren
vaart weer woordvorm weervaren
varen weer woordvorm weervaren
voeren weer woordvorm weervaren
weergevaren woordvorm weervaren
weervaar woordvorm weervaren
weervaart aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon weervaren
weervare aanvoegende wijs weervaren
weervarend onvoltooid deelwoord weervaren
weervarende woordvorm weervaren
weervoer verleden tijd weervaren
weervoeren aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon weervaren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van weervaren zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over weervaren

Wat is de betekenis van weervaren?
Weervaren is een werkwoord. De betekenis is: gebeuren, overkomen.
Hoe vervoeg ik weervaren?
Zo vervoeg je weervaren zo: de tegenwoordige tijd is weervaar, de verleden tijd is weervoer en het voltooid deelwoord is weervaren. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord weervaren is 18 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. W 5
  2. E 1
  3. E 1
  4. R 2
  5. V 4
  6. A 1
  7. R 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 18 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

weervaren levert met Wordfeud minimaal 18 en maximaal 84 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. W 5
  2. E 1
  3. E 1
  4. R 2
  5. V 4
  6. A 1
  7. R 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 18 zonder bonus
  11. 84 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (W) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

weervaren in het kort

weervaren staat in dit woordenboek als werkwoord. Van weervaren staan er 33 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort weervaren bij een woordfamilie van 12 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

weervaren: gebeuren, overkomen
Deel weervaren — standaardnederlands.nl