weervaren
werkwoordBetekenis
- gebeuren, overkomen
Vervoeging van weervaren
weervarenhele werkwoord — weervoerverleden tijd enkelvoud — weervoerenverleden tijd meervoud — weervarenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | (weervaar) | weervoer |
| jij | weervaart | weervoer |
| hij, zij, het | weervaart | weervoer |
| wij | weervaren | weervoeren |
| jullie | weervaren | weervoeren |
| zij | weervaren | weervoeren |
Alle 56 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben weervaren | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent weervaren | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. (weervaar) | gebiedende wijs |
| is weervaren | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is weervaren | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te weervaren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zijn weervaren | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen weervaren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart weervaren | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren weervaren | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren weervaren | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren weervaren | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was weervaren | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was weervaren | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was weervaren | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| weervare | aanvoegende wijs |
| weervaren | verleden tijd, deelwoord |
| weervaren te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| weervaren zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| weervarend | onvoltooid, deelwoord |
| weervoer | verleden tijd |
| weerváren | canonical |
| zal weervaren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal weervaren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal weervaren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal weervaren zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal weervaren zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal weervaren zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn weervaren | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn weervaren | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn weervaren | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn weervaren | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt weervaren | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou weervaren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou weervaren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou weervaren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou weervaren zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou weervaren zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou weervaren zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden weervaren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden weervaren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden weervaren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden weervaren zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden weervaren zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden weervaren zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt weervaren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt weervaren zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen weervaren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen weervaren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen weervaren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen weervaren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen weervaren zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen weervaren zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen weervaren zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult weervaren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult weervaren zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van weer en varen
Woordfamilie van weervaren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| vaar weer | woordvorm | weervaren |
| vaart weer | woordvorm | weervaren |
| varen weer | woordvorm | weervaren |
| voeren weer | woordvorm | weervaren |
| weergevaren | woordvorm | weervaren |
| weervaar | woordvorm | weervaren |
| weervaart | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | weervaren |
| weervare | aanvoegende wijs | weervaren |
| weervarend | onvoltooid deelwoord | weervaren |
| weervarende | woordvorm | weervaren |
| weervoer | verleden tijd | weervaren |
| weervoeren | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | weervaren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van weervaren zijn vastgelegd.