wand
zelfstandig naamwoord /ʋɑndə(n)/Betekenis
- een verticale afscheiding tussen twee vertrekken in een woonlaag van een gebouw
- meer algemeen: verticaal oprijzend vlak (- bergwand)
- nog algemener: omsluiting (- celwand)
Hoe spreek je wand uit?
/wɑndən/
Wand bestaat uit twee lettergrepen.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| w | quiz |
| ɑ | bad |
| n | nek |
| d | dak |
| ə | de |
zelfstandig naamwoord — masculine
- meer algemeen: verticaal oprijzend vlak (-> bergwand)
- nog algemener: omsluiting (-> celwand)
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| wanden | meervoud |
| wandje | verkleinwoord, enkelvoud |
| wandjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
erfwoord Ontwikkeld uit Oudnederlands uuende, want, uit Germaans *wandi-, verwant aan Duits Wand, Fries wân, in de betekenis van ‘afscheiding’ voor het eerst aangetroffen in 901.
Woordfamilie van wand
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| wandje | verkleinwoord | wand |
| wandjes | verkleinwoord meervoud | wand |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van wand zijn vastgelegd.