waarzeggen
werkwoordBetekenis
- voorspellingen over de toekomst uiten op grond van intuïtie of bovennatuurlijke interventie
Vervoeging van waarzeggen
waarzeggenhele werkwoord — waarzegdeverleden tijd enkelvoud — waarzegdenverleden tijd meervoud — gewaarzegdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | waarzeg | waarzegde |
| jij | waarzegt | waarzegde |
| hij, zij, het | waarzegt | waarzegde |
| wij | waarzeggen | waarzegden |
| jullie | waarzeggen | waarzegden |
| zij | waarzeggen | waarzegden |
Alle 90 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| (waarzegde) | verleden tijd |
| er is gewaarzegd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gewaarzegd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gewaarzegd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gewaarzegd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gewaarzegd | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gewaarzegd | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gewaarzegd | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gewaarzegd | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gewaarzegd | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gewaarzegd | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gewaarzegd | verleden tijd, deelwoord |
| had gewaarzegd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gewaarzegd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gewaarzegd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gewaarzegd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gewaarzegd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gewaarzegd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gewaarzegd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gewaarzegd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gewaarzegd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gewaarzegd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gewaarzegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gewaarzegd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gewaarzegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebt/heeft gewaarzegd waargezegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gewaarzegd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben gewaarzegd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te waarzeggen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen waarzeggen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waargezegd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| waargezegd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| waargezegd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| waargezegd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| waargezegd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| waargezegd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| waargezegd | verleden tijd, deelwoord |
| waargezegd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waargezegd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waargezegd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| waargezegd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| waargezegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| waargezegd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| waargezegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| waargezegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| waargezegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| waargezegd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| waargezegd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| waargezegd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| waargezegd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waargezegd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| waargezegd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| waargezegd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| waargezegd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| waargezegd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| waarzeg | gebiedende wijs |
| waarzegge | aanvoegende wijs |
| waarzeggend | onvoltooid, deelwoord |
| zal gewaarzegd | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gewaarzegd | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal waarzeggen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal waarzeggen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal waarzeggen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal/zult gewaarzegd waargezegd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zou gewaarzegd | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gewaarzegd | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gewaarzegd | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou waarzeggen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou waarzeggen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou waarzeggen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou/zoudt gewaarzegd waargezegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gewaarzegd | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gewaarzegd | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gewaarzegd | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden waarzeggen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden waarzeggen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden waarzeggen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gewaarzegd | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt waarzeggen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gewaarzegd | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gewaarzegd | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gewaarzegd | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen waarzeggen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen waarzeggen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen waarzeggen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen waarzeggen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gewaarzegd | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult waarzeggen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult/zal gewaarzegd waargezegd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van waar en zeggen
Woordfamilie van waarzeggen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gewaarzegd | voltooid deelwoord | waarzeggen |
| waargezegd | voltooid deelwoord | waarzeggen |
| waarzeg | gebiedende wijs | waarzeggen |
| waarzegde | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, enkelvoud, 1e persoon | waarzeggen |
| waarzegden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | waarzeggen |
| waarzegge | aanvoegende wijs | waarzeggen |
| waarzeggend | onvoltooid deelwoord | waarzeggen |
| waarzeggende | woordvorm | waarzeggen |
| waarzegt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | waarzeggen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van waarzeggen zijn vastgelegd.