vrijbuiter
zelfstandig naamwoordBetekenis
- een zeerover die niet zijn buit grotendeels zoals een kaper aan de staat afstond, maar vrijelijk op de markt verkocht
- iemand die niet vies is van een beetje avontuur, een avonturier
- een klassieke, houten zeilboot
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| vrijbuiters | meervoud |
| vrijbuitertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| vrijbuitertjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘kaper, avonturier’ voor het eerst aangetroffen in 1572
Woordfamilie van vrijbuiter
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| vrijbuiters | meervoud | vrijbuiter |
| vrijbuitertje | verkleinwoord | vrijbuiter |
| vrijbuitertjes | verkleinwoord meervoud | vrijbuiter |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vrijbuiter zijn vastgelegd.