heidag
zelfstandig naamwoord ˈhɛidɑxBetekenis
- een bijeenkomst voor leidinggevenden van een bedrijf op een externe, vaak afgelegen locatie waar men in alle rust vergaderingen, seminars, lezingen en trainingen kan organiseren.
Hoe spreek je heidag uit?
/ˈhɛidɑx/
Heidag bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| h | hoed |
| ɛi | trein |
| d | dak |
| ɑ | bad |
| x | acht |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- bijeenkomst voor leidinggevenden van een bedrijf op een externe, vaak afgelegen locatie waar men in alle rust vergaderingen, seminars, lezingen en trainingen kan organiseren
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| heidagen | meervoud |
| heidagje | verkleinwoord, enkelvoud |
| heidagjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van hei zn "onbebouwde grond" en dag zn "tijd tussen zonsopgang en -ondergang" , om aan te geven dat het om een samenkomst op een afgelegen plaats gaat, in de betekenis van "bijeenkomst voor leidinggevenden op afgelegen plaats" aangetroffen vanaf 1993 (zie vindplaats hieronder)
Woordfamilie van heidag
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| heidagen | meervoud | heidag |
| heidagje | verkleinwoord | heidag |
| heidagjes | verkleinwoord meervoud | heidag |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van heidag zijn vastgelegd.