vooruitlopen
werkwoord, zelfstandig naamwoord vorˈœytlopə(n)Betekenis
- anticiperen op.
- vooruitgaan, eerder dan anderen op weg gaan.
Hoe spreek je vooruitlopen uit?
/vorˈœytlopən/
Vooruitlopen bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| o | boot |
| r | rood |
| œy | huis |
| t | tak |
| l | land |
| p | pak |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van vooruitlopen
vooruitlopenhele werkwoord — liep vooruitverleden tijd enkelvoud — liepen vooruitverleden tijd meervoud — vooruitgelopenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | loop vooruit | liep vooruit |
| jij | loopt vooruit | liep vooruit |
| hij, zij, het | loopt vooruit | liep vooruit |
| wij | lopen vooruit | liepen vooruit |
| jullie | lopen vooruit | liepen vooruit |
| zij | lopen vooruit | liepen vooruit |
Alle 83 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is vooruitgelopen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was vooruitgelopen | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd vooruitgelopen | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt vooruitgelopen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal vooruitgelopen worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal vooruitgelopen zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou vooruitgelopen worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou vooruitgelopen zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had vooruitgelopen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had vooruitgelopen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had vooruitgelopen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden vooruitgelopen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden vooruitgelopen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden vooruitgelopen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt vooruitgelopen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb vooruitgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben vooruitgelopen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben vooruitgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben vooruitgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben vooruitgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt vooruitgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft vooruitgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft vooruitgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| liep vooruit | verleden tijd |
| loop vooruit | gebiedende wijs |
| te hebben vooruitgelopen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen vooruitlopen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vooruit te lopen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| vooruit te zullen lopen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vooruit zal lopen | bijzin, toekomende tijd |
| vooruit zou lopen | bijzin, voorwaardelijk |
| vooruit zouden lopen | bijzin, voorwaardelijk |
| vooruit zoudt lopen | bijzin, voorwaardelijk |
| vooruit zullen lopen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vooruit zullen lopen | bijzin, toekomende tijd |
| vooruit zult lopen | bijzin, toekomende tijd |
| vooruitgelopen | verleden tijd, deelwoord |
| vooruitgelopen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vooruitgelopen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vooruitliep | bijzin, verleden tijd |
| vooruitliepen | bijzin, verleden tijd |
| vooruitliept | bijzin, verleden tijd |
| vooruitloop | bijzin, tegenwoordige tijd |
| vooruitloopt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| vooruitlopend | onvoltooid, deelwoord |
| zal vooruitgelopen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal vooruitgelopen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal vooruitgelopen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal vooruitlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal vooruitlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal vooruitlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal vooruitlopen | bijzin, toekomende tijd |
| zou vooruitgelopen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou vooruitgelopen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou vooruitgelopen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou vooruitlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou vooruitlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou vooruitlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou vooruitlopen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) vooruitlopen vooruit zou(dt) lopen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden vooruitgelopen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden vooruitgelopen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden vooruitgelopen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vooruitlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden vooruitlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden vooruitlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden vooruitlopen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt vooruitgelopen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vooruitlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt vooruitlopen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen vooruitgelopen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen vooruitgelopen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen vooruitgelopen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen vooruitlopen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen vooruitlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen vooruitlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen vooruitlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen vooruitlopen | bijzin, toekomende tijd |
| zult vooruitgelopen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult vooruitlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult vooruitlopen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal vooruitlopen vooruit zult/zal lopen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van vooruit bw en lopen ww
Woordfamilie van vooruitlopen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| liep vooruit | verleden tijd | vooruitlopen |
| liepen vooruit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | vooruitlopen |
| loop vooruit | gebiedende wijs | vooruitlopen |
| loopt vooruit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | vooruitlopen |
| lope vooruit | woordvorm | vooruitlopen |
| lopen vooruit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | vooruitlopen |
| vooruitgelopen | voltooid deelwoord | vooruitlopen |
| vooruitliep | subordinate-clause, verleden tijd | vooruitlopen |
| vooruitliepen | subordinate-clause, verleden tijd | vooruitlopen |
| vooruitloop | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | vooruitlopen |
| vooruitloopt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | vooruitlopen |
| vooruitlope | with-subordinate-clause | vooruitlopen |
| vooruitlopend | onvoltooid deelwoord | vooruitlopen |
| vooruitlopende | woordvorm | vooruitlopen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vooruitlopen zijn vastgelegd.