Naar de inhoud

vooruitrijden

voor anderen uitrijden

vooruitrijden

werkwoord

Betekenis

  1. voor anderen uitrijden
  2. naar voren rijden

Vervoeging van vooruitrijden

vooruitrijdenhele werkwoord — reed vooruitverleden tijd enkelvoud — reden vooruitverleden tijd meervoud — vooruitgeredenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik rij vooruit reed vooruit
jij rijdt vooruit reed vooruit
hij, zij, het rijdt vooruit reed vooruit
wij rijden vooruit reden vooruit
jullie rijden vooruit reden vooruit
zij rijden vooruit reden vooruit
Alle 77 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ben vooruitgereden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent vooruitgereden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
ev. gebiedende wijs
is vooruitgereden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is vooruitgereden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
reed vooruit verleden tijd
rij vooruit gebiedende wijs
rijd vooruit gebiedende wijs
te zijn vooruitgereden actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen vooruitrijden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
vooruit te rijden actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
vooruit te zullen rijden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
vooruit zal rijden bijzin, toekomende tijd
vooruit zou rijden bijzin, voorwaardelijk
vooruit zouden rijden bijzin, voorwaardelijk
vooruit zoudt rijden bijzin, voorwaardelijk
vooruit zullen rijden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
vooruit zullen rijden bijzin, toekomende tijd
vooruit zult rijden bijzin, toekomende tijd
vooruitgereden verleden tijd, deelwoord
vooruitgereden te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
vooruitgereden zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
vooruitreden bijzin, verleden tijd
vooruitreed bijzin, verleden tijd
vooruitrij bijzin, tegenwoordige tijd
vooruitrijd bijzin, tegenwoordige tijd
vooruitrijdend onvoltooid, deelwoord
vooruitrijdt bijzin, tegenwoordige tijd
waart vooruitgereden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren vooruitgereden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren vooruitgereden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren vooruitgereden voltooid, verleden tijd, derde persoon
was vooruitgereden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was vooruitgereden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was vooruitgereden voltooid, verleden tijd, derde persoon
zal vooruitgereden zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal vooruitgereden zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal vooruitgereden zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal vooruitrijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal vooruitrijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal vooruitrijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal vooruitrijden bijzin, toekomende tijd
zijn vooruitgereden actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn vooruitgereden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn vooruitgereden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn vooruitgereden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt vooruitgereden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou vooruitgereden zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou vooruitgereden zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou vooruitgereden zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou vooruitrijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou vooruitrijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou vooruitrijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou vooruitrijden bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) vooruitrijden vooruit zou(dt) rijden bijzin, voorwaardelijk
zouden vooruitgereden zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden vooruitgereden zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden vooruitgereden zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden vooruitrijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden vooruitrijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden vooruitrijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden vooruitrijden bijzin, voorwaardelijk
zoudt vooruitgereden zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt vooruitrijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt vooruitrijden bijzin, voorwaardelijk
zullen vooruitgereden zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen vooruitgereden zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen vooruitgereden zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen vooruitrijden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen vooruitrijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen vooruitrijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen vooruitrijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen vooruitrijden bijzin, toekomende tijd
zult vooruitgereden zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult vooruitrijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult vooruitrijden bijzin, toekomende tijd
zult/zal vooruitrijden vooruit zult/zal rijden bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van vooruit en rijden

Woordfamilie van vooruitrijden

Woordvorm Relatie Afgeleid van
reden vooruit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon vooruitrijden
reed vooruit verleden tijd vooruitrijden
rij vooruit gebiedende wijs vooruitrijden
rijd vooruit gebiedende wijs vooruitrijden
rijde vooruit woordvorm vooruitrijden
rijden vooruit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon vooruitrijden
rijdt vooruit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon vooruitrijden
vooruitgereden voltooid deelwoord vooruitrijden
vooruitreden subordinate-clause, verleden tijd vooruitrijden
vooruitreed subordinate-clause, verleden tijd vooruitrijden
vooruitrij subordinate-clause, tegenwoordige tijd vooruitrijden
vooruitrijd subordinate-clause, tegenwoordige tijd vooruitrijden
vooruitrijde with-subordinate-clause vooruitrijden
vooruitrijdend onvoltooid deelwoord vooruitrijden
vooruitrijdende woordvorm vooruitrijden
vooruitrijdt subordinate-clause, tegenwoordige tijd vooruitrijden

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vooruitrijden zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over vooruitrijden

Wat is de betekenis van vooruitrijden?
Vooruitrijden is een werkwoord. De betekenis is: voor anderen uitrijden. In totaal staan er 2 betekenissen.
Hoe vervoeg ik vooruitrijden?
Zo vervoeg je vooruitrijden zo: het voltooid deelwoord is vooruitgereden. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord vooruitrijden is 26 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. V 4
  2. O 1
  3. O 1
  4. R 2
  5. U 4
  6. I 1
  7. T 2
  8. R 2
  9. I 1
  10. J 4
  11. D 2
  12. E 1
  13. N 1
  14. 26 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

vooruitrijden levert met Wordfeud minimaal 26 en maximaal 102 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. V 4
  2. O 1
  3. O 1
  4. R 2
  5. U 2
  6. I 2
  7. T 2
  8. R 2
  9. I 2
  10. J 4
  11. D 2
  12. E 1
  13. N 1
  14. 26 zonder bonus
  15. 102 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (V) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

vooruitrijden in het kort

vooruitrijden staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 2 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van vooruitrijden staan er 48 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort vooruitrijden bij een woordfamilie van 16 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

vooruitrijden: voor anderen uitrijden
Deel vooruitrijden — standaardnederlands.nl