vooruitrijden
werkwoordBetekenis
- voor anderen uitrijden
- naar voren rijden
Vervoeging van vooruitrijden
vooruitrijdenhele werkwoord — reed vooruitverleden tijd enkelvoud — reden vooruitverleden tijd meervoud — vooruitgeredenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | rij vooruit | reed vooruit |
| jij | rijdt vooruit | reed vooruit |
| hij, zij, het | rijdt vooruit | reed vooruit |
| wij | rijden vooruit | reden vooruit |
| jullie | rijden vooruit | reden vooruit |
| zij | rijden vooruit | reden vooruit |
Alle 77 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben vooruitgereden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent vooruitgereden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| is vooruitgereden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is vooruitgereden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| reed vooruit | verleden tijd |
| rij vooruit | gebiedende wijs |
| rijd vooruit | gebiedende wijs |
| te zijn vooruitgereden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen vooruitrijden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vooruit te rijden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| vooruit te zullen rijden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vooruit zal rijden | bijzin, toekomende tijd |
| vooruit zou rijden | bijzin, voorwaardelijk |
| vooruit zouden rijden | bijzin, voorwaardelijk |
| vooruit zoudt rijden | bijzin, voorwaardelijk |
| vooruit zullen rijden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vooruit zullen rijden | bijzin, toekomende tijd |
| vooruit zult rijden | bijzin, toekomende tijd |
| vooruitgereden | verleden tijd, deelwoord |
| vooruitgereden te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vooruitgereden zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vooruitreden | bijzin, verleden tijd |
| vooruitreed | bijzin, verleden tijd |
| vooruitrij | bijzin, tegenwoordige tijd |
| vooruitrijd | bijzin, tegenwoordige tijd |
| vooruitrijdend | onvoltooid, deelwoord |
| vooruitrijdt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| waart vooruitgereden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren vooruitgereden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren vooruitgereden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren vooruitgereden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was vooruitgereden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was vooruitgereden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was vooruitgereden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal vooruitgereden zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal vooruitgereden zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal vooruitgereden zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal vooruitrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal vooruitrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal vooruitrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal vooruitrijden | bijzin, toekomende tijd |
| zijn vooruitgereden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn vooruitgereden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn vooruitgereden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn vooruitgereden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt vooruitgereden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou vooruitgereden zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou vooruitgereden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou vooruitgereden zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou vooruitrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou vooruitrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou vooruitrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou vooruitrijden | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) vooruitrijden vooruit zou(dt) rijden | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden vooruitgereden zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden vooruitgereden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden vooruitgereden zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vooruitrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden vooruitrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden vooruitrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden vooruitrijden | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt vooruitgereden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vooruitrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt vooruitrijden | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen vooruitgereden zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen vooruitgereden zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen vooruitgereden zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen vooruitrijden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen vooruitrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen vooruitrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen vooruitrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen vooruitrijden | bijzin, toekomende tijd |
| zult vooruitgereden zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult vooruitrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult vooruitrijden | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal vooruitrijden vooruit zult/zal rijden | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van vooruit en rijden
Woordfamilie van vooruitrijden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| reden vooruit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | vooruitrijden |
| reed vooruit | verleden tijd | vooruitrijden |
| rij vooruit | gebiedende wijs | vooruitrijden |
| rijd vooruit | gebiedende wijs | vooruitrijden |
| rijde vooruit | woordvorm | vooruitrijden |
| rijden vooruit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | vooruitrijden |
| rijdt vooruit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | vooruitrijden |
| vooruitgereden | voltooid deelwoord | vooruitrijden |
| vooruitreden | subordinate-clause, verleden tijd | vooruitrijden |
| vooruitreed | subordinate-clause, verleden tijd | vooruitrijden |
| vooruitrij | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | vooruitrijden |
| vooruitrijd | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | vooruitrijden |
| vooruitrijde | with-subordinate-clause | vooruitrijden |
| vooruitrijdend | onvoltooid deelwoord | vooruitrijden |
| vooruitrijdende | woordvorm | vooruitrijden |
| vooruitrijdt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | vooruitrijden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vooruitrijden zijn vastgelegd.