Naar de inhoud

vooruitkijken

naar voren kijken

vooruitkijken

werkwoord

Betekenis

  1. naar voren kijken

Vervoeging van vooruitkijken

vooruitkijkenhele werkwoord — keek vooruitverleden tijd enkelvoud — keken vooruitverleden tijd meervoud — vooruitgekekenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik kijk vooruit keek vooruit
jij kijkt vooruit keek vooruit
hij, zij, het kijkt vooruit keek vooruit
wij kijken vooruit keken vooruit
jullie kijken vooruit keken vooruit
zij kijken vooruit keken vooruit
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
had vooruitgekeken voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had vooruitgekeken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had vooruitgekeken voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden vooruitgekeken voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden vooruitgekeken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden vooruitgekeken voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt vooruitgekeken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb vooruitgekeken voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben vooruitgekeken actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben vooruitgekeken voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben vooruitgekeken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben vooruitgekeken voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt vooruitgekeken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft vooruitgekeken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft vooruitgekeken voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
keek vooruit verleden tijd
kijk vooruit gebiedende wijs
te hebben vooruitgekeken actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen vooruitkijken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
vooruit te kijken actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
vooruit te zullen kijken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
vooruit zal kijken bijzin, toekomende tijd
vooruit zou kijken bijzin, voorwaardelijk
vooruit zouden kijken bijzin, voorwaardelijk
vooruit zoudt kijken bijzin, voorwaardelijk
vooruit zullen kijken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
vooruit zullen kijken bijzin, toekomende tijd
vooruit zult kijken bijzin, toekomende tijd
vooruitgekeken verleden tijd, deelwoord
vooruitgekeken te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
vooruitgekeken zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
vooruitkeek bijzin, verleden tijd
vooruitkeken bijzin, verleden tijd
vooruitkijk bijzin, tegenwoordige tijd
vooruitkijkend onvoltooid, deelwoord
vooruitkijkt bijzin, tegenwoordige tijd
zal vooruitgekeken hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal vooruitgekeken hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal vooruitgekeken hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal vooruitkijken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal vooruitkijken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal vooruitkijken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal vooruitkijken bijzin, toekomende tijd
zou vooruitgekeken hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou vooruitgekeken hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou vooruitgekeken hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou vooruitkijken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou vooruitkijken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou vooruitkijken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou vooruitkijken bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) vooruitkijken vooruit zou(dt) kijken bijzin, voorwaardelijk
zouden vooruitgekeken hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden vooruitgekeken hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden vooruitgekeken hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden vooruitkijken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden vooruitkijken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden vooruitkijken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden vooruitkijken bijzin, voorwaardelijk
zoudt vooruitgekeken hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt vooruitkijken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt vooruitkijken bijzin, voorwaardelijk
zullen vooruitgekeken hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen vooruitgekeken hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen vooruitgekeken hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen vooruitkijken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen vooruitkijken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen vooruitkijken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen vooruitkijken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen vooruitkijken bijzin, toekomende tijd
zult vooruitgekeken hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult vooruitkijken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult vooruitkijken bijzin, toekomende tijd
zult/zal vooruitkijken vooruit zult/zal kijken bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van vooruit en kijken

Woordfamilie van vooruitkijken

Woordvorm Relatie Afgeleid van
keek vooruit verleden tijd vooruitkijken
keken vooruit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon vooruitkijken
kijk vooruit gebiedende wijs vooruitkijken
kijke vooruit woordvorm vooruitkijken
kijken vooruit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon vooruitkijken
kijkt vooruit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon vooruitkijken
vooruitgekeken voltooid deelwoord vooruitkijken
vooruitkeek subordinate-clause, verleden tijd vooruitkijken
vooruitkeken subordinate-clause, verleden tijd vooruitkijken
vooruitkijk subordinate-clause, tegenwoordige tijd vooruitkijken
vooruitkijke with-subordinate-clause vooruitkijken
vooruitkijkend onvoltooid deelwoord vooruitkijken
vooruitkijkende woordvorm vooruitkijken
vooruitkijkt subordinate-clause, tegenwoordige tijd vooruitkijken

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vooruitkijken zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over vooruitkijken

Wat betekent vooruitkijken?
Vooruitkijken is een werkwoord. Het woord betekent: naar voren kijken.
Hoe vervoeg je vooruitkijken?
Je vervoegt vooruitkijken als volgt: het voltooid deelwoord is vooruitgekeken. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord vooruitkijken is 28 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. V 4
  2. O 1
  3. O 1
  4. R 2
  5. U 4
  6. I 1
  7. T 2
  8. K 3
  9. I 1
  10. J 4
  11. K 3
  12. E 1
  13. N 1
  14. 28 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

vooruitkijken levert met Wordfeud minimaal 28 en maximaal 108 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. V 4
  2. O 1
  3. O 1
  4. R 2
  5. U 2
  6. I 2
  7. T 2
  8. K 3
  9. I 2
  10. J 4
  11. K 3
  12. E 1
  13. N 1
  14. 28 zonder bonus
  15. 108 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (V) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

vooruitkijken in het kort

vooruitkijken staat in dit woordenboek als werkwoord. Van vooruitkijken zijn 45 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort vooruitkijken bij een woordfamilie van 14 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

vooruitkijken: naar voren kijken
Deel vooruitkijken — standaardnederlands.nl