voorspelden
werkwoordBetekenis
- voor lichaam of borst met spelden vastmaken
Vervoeging van voorspelden
voorspeldenhele werkwoord — speldde voorverleden tijd enkelvoud — speldden voorverleden tijd meervoud — voorgespeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | speld voor | speldde voor |
| jij | speldt voor | speldde voor |
| hij, zij, het | speldt voor | speldde voor |
| wij | spelden voor | speldden voor |
| jullie | spelden voor | speldden voor |
| zij | spelden voor | speldden voor |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben voorgespeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent voorgespeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is voorgespeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was voorgespeld | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd voorgespeld | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt voorgespeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal voorgespeld worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal voorgespeld zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou voorgespeld worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou voorgespeld zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had voorgespeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had voorgespeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had voorgespeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden voorgespeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden voorgespeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden voorgespeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt voorgespeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb voorgespeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben voorgespeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben voorgespeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben voorgespeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben voorgespeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt voorgespeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft voorgespeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft voorgespeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is voorgespeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is voorgespeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| speld voor | gebiedende wijs |
| speldde voor | verleden tijd |
| te hebben voorgespeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen voorspelden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voor te spelden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| voor te zullen spelden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voor zal spelden | bijzin, toekomende tijd |
| voor zou spelden | bijzin, voorwaardelijk |
| voor zouden spelden | bijzin, voorwaardelijk |
| voor zoudt spelden | bijzin, voorwaardelijk |
| voor zullen spelden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| voor zullen spelden | bijzin, toekomende tijd |
| voor zult spelden | bijzin, toekomende tijd |
| voorgespeld | verleden tijd, deelwoord |
| voorgespeld te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| voorgespeld te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| voorgespeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voorgespeld te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voorgespeld te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voorgespeld worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| voorgespeld zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| voorgespeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| voorgespeld zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| voorgespeld zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| voorspeld | bijzin, tegenwoordige tijd |
| voorspeldde | bijzin, verleden tijd |
| voorspeldden | bijzin, verleden tijd |
| voorspeldend | onvoltooid, deelwoord |
| voorspeldt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| waart voorgespeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren voorgespeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren voorgespeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren voorgespeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was voorgespeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was voorgespeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was voorgespeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd voorgespeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd voorgespeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd voorgespeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden voorgespeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden voorgespeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden voorgespeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt voorgespeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word voorgespeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden voorgespeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden voorgespeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden voorgespeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt voorgespeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt voorgespeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal voorgespeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal voorgespeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal voorgespeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal voorgespeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal voorgespeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal voorgespeld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal voorgespeld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal voorspelden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal voorspelden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal voorspelden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal voorspelden | bijzin, toekomende tijd |
| zijn voorgespeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn voorgespeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn voorgespeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt voorgespeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou voorgespeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou voorgespeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou voorgespeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou voorgespeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou voorgespeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou voorgespeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou voorgespeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou voorgespeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou voorgespeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou voorspelden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou voorspelden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou voorspelden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou voorspelden | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) voorspelden voor zou(dt) spelden | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden voorgespeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden voorgespeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden voorgespeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden voorgespeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden voorgespeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden voorgespeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden voorgespeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden voorgespeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden voorgespeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden voorspelden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden voorspelden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden voorspelden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden voorspelden | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt voorgespeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt voorgespeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt voorgespeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt voorspelden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt voorspelden | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen voorgespeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen voorgespeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen voorgespeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen voorgespeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen voorgespeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen voorgespeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen voorgespeld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen voorgespeld zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen voorgespeld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen voorspelden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen voorspelden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen voorspelden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen voorspelden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen voorspelden | bijzin, toekomende tijd |
| zult voorgespeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud verleden tijd van voorspellen
- meervoud verleden tijd van voorspellen
Vervoeging van voorspelden
voorspeldenhele werkwoord — speldde voorverleden tijd enkelvoud — speldden voorverleden tijd meervoud — voorgespeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | speld voor | speldde voor |
| jij | speldt voor | speldde voor |
| hij, zij, het | speldt voor | speldde voor |
| wij | spelden voor | speldden voor |
| jullie | spelden voor | speldden voor |
| zij | spelden voor | speldden voor |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben voorgespeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent voorgespeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is voorgespeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was voorgespeld | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd voorgespeld | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt voorgespeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal voorgespeld worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal voorgespeld zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou voorgespeld worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou voorgespeld zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had voorgespeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had voorgespeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had voorgespeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden voorgespeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden voorgespeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden voorgespeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt voorgespeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb voorgespeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben voorgespeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben voorgespeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben voorgespeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben voorgespeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt voorgespeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft voorgespeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft voorgespeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is voorgespeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is voorgespeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| speld voor | gebiedende wijs |
| speldde voor | verleden tijd |
| te hebben voorgespeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen voorspelden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voor te spelden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| voor te zullen spelden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voor zal spelden | bijzin, toekomende tijd |
| voor zou spelden | bijzin, voorwaardelijk |
| voor zouden spelden | bijzin, voorwaardelijk |
| voor zoudt spelden | bijzin, voorwaardelijk |
| voor zullen spelden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| voor zullen spelden | bijzin, toekomende tijd |
| voor zult spelden | bijzin, toekomende tijd |
| voorgespeld | verleden tijd, deelwoord |
| voorgespeld te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| voorgespeld te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| voorgespeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voorgespeld te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voorgespeld te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voorgespeld worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| voorgespeld zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| voorgespeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| voorgespeld zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| voorgespeld zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| voorspeld | bijzin, tegenwoordige tijd |
| voorspeldde | bijzin, verleden tijd |
| voorspeldden | bijzin, verleden tijd |
| voorspeldend | onvoltooid, deelwoord |
| voorspeldt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| waart voorgespeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren voorgespeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren voorgespeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren voorgespeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was voorgespeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was voorgespeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was voorgespeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd voorgespeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd voorgespeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd voorgespeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden voorgespeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden voorgespeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden voorgespeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt voorgespeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word voorgespeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden voorgespeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden voorgespeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden voorgespeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt voorgespeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt voorgespeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal voorgespeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal voorgespeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal voorgespeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal voorgespeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal voorgespeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal voorgespeld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal voorgespeld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal voorspelden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal voorspelden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal voorspelden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal voorspelden | bijzin, toekomende tijd |
| zijn voorgespeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn voorgespeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn voorgespeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt voorgespeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou voorgespeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou voorgespeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou voorgespeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou voorgespeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou voorgespeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou voorgespeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou voorgespeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou voorgespeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou voorgespeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou voorspelden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou voorspelden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou voorspelden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou voorspelden | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) voorspelden voor zou(dt) spelden | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden voorgespeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden voorgespeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden voorgespeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden voorgespeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden voorgespeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden voorgespeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden voorgespeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden voorgespeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden voorgespeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden voorspelden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden voorspelden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden voorspelden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden voorspelden | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt voorgespeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt voorgespeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt voorgespeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt voorspelden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt voorspelden | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen voorgespeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen voorgespeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen voorgespeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen voorgespeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen voorgespeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen voorgespeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen voorgespeld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen voorgespeld zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen voorgespeld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen voorspelden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen voorspelden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen voorspelden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen voorspelden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen voorspelden | bijzin, toekomende tijd |
| zult voorgespeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van voor en spelden
Woordfamilie van voorspelden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| speld voor | gebiedende wijs | voorspelden |
| speldde voor | verleden tijd | voorspelden |
| speldden voor | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | voorspelden |
| speldt voor | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | voorspelden |
| voorspeldde | subordinate-clause, verleden tijd | voorspelden |
| voorspeldden | subordinate-clause, verleden tijd | voorspelden |
| voorspeldend | onvoltooid deelwoord | voorspelden |
| voorspeldende | woordvorm | voorspelden |
| voorspeldt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | voorspelden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van voorspelden zijn vastgelegd.