Naar de inhoud

voorspelden

voor lichaam of borst met spelden vastmaken

voorspelden

werkwoord

Betekenis

  1. voor lichaam of borst met spelden vastmaken

Vervoeging van voorspelden

voorspeldenhele werkwoord — speldde voorverleden tijd enkelvoud — speldden voorverleden tijd meervoud — voorgespeldvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik speld voor speldde voor
jij speldt voor speldde voor
hij, zij, het speldt voor speldde voor
wij spelden voor speldden voor
jullie spelden voor speldden voor
zij spelden voor speldden voor
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben voorgespeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent voorgespeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is voorgespeld impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was voorgespeld impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd voorgespeld impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt voorgespeld impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal voorgespeld worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal voorgespeld zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou voorgespeld worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou voorgespeld zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had voorgespeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had voorgespeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had voorgespeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden voorgespeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden voorgespeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden voorgespeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt voorgespeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb voorgespeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben voorgespeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben voorgespeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben voorgespeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben voorgespeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt voorgespeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft voorgespeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft voorgespeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is voorgespeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is voorgespeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
speld voor gebiedende wijs
speldde voor verleden tijd
te hebben voorgespeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen voorspelden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
voor te spelden actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
voor te zullen spelden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
voor zal spelden bijzin, toekomende tijd
voor zou spelden bijzin, voorwaardelijk
voor zouden spelden bijzin, voorwaardelijk
voor zoudt spelden bijzin, voorwaardelijk
voor zullen spelden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
voor zullen spelden bijzin, toekomende tijd
voor zult spelden bijzin, toekomende tijd
voorgespeld verleden tijd, deelwoord
voorgespeld te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
voorgespeld te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
voorgespeld te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
voorgespeld te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
voorgespeld te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
voorgespeld worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
voorgespeld zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
voorgespeld zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
voorgespeld zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
voorgespeld zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
voorspeld bijzin, tegenwoordige tijd
voorspeldde bijzin, verleden tijd
voorspeldden bijzin, verleden tijd
voorspeldend onvoltooid, deelwoord
voorspeldt bijzin, tegenwoordige tijd
waart voorgespeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren voorgespeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren voorgespeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren voorgespeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
was voorgespeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was voorgespeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was voorgespeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd voorgespeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd voorgespeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd voorgespeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden voorgespeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden voorgespeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden voorgespeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt voorgespeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word voorgespeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden voorgespeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden voorgespeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden voorgespeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt voorgespeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt voorgespeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal voorgespeld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal voorgespeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal voorgespeld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal voorgespeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal voorgespeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal voorgespeld zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal voorgespeld zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal voorspelden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal voorspelden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal voorspelden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal voorspelden bijzin, toekomende tijd
zijn voorgespeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn voorgespeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn voorgespeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt voorgespeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou voorgespeld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou voorgespeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou voorgespeld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou voorgespeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou voorgespeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou voorgespeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou voorgespeld zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou voorgespeld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou voorgespeld zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou voorspelden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou voorspelden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou voorspelden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou voorspelden bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) voorspelden voor zou(dt) spelden bijzin, voorwaardelijk
zouden voorgespeld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden voorgespeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden voorgespeld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden voorgespeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden voorgespeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden voorgespeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden voorgespeld zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden voorgespeld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden voorgespeld zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden voorspelden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden voorspelden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden voorspelden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden voorspelden bijzin, voorwaardelijk
zoudt voorgespeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt voorgespeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt voorgespeld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt voorspelden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt voorspelden bijzin, voorwaardelijk
zullen voorgespeld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen voorgespeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen voorgespeld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen voorgespeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen voorgespeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen voorgespeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen voorgespeld zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen voorgespeld zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen voorgespeld zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen voorspelden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen voorspelden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen voorspelden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen voorspelden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen voorspelden bijzin, toekomende tijd
zult voorgespeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud verleden tijd van voorspellen
  • meervoud verleden tijd van voorspellen

Vervoeging van voorspelden

voorspeldenhele werkwoord — speldde voorverleden tijd enkelvoud — speldden voorverleden tijd meervoud — voorgespeldvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik speld voor speldde voor
jij speldt voor speldde voor
hij, zij, het speldt voor speldde voor
wij spelden voor speldden voor
jullie spelden voor speldden voor
zij spelden voor speldden voor
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben voorgespeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent voorgespeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is voorgespeld impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was voorgespeld impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd voorgespeld impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt voorgespeld impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal voorgespeld worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal voorgespeld zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou voorgespeld worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou voorgespeld zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had voorgespeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had voorgespeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had voorgespeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden voorgespeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden voorgespeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden voorgespeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt voorgespeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb voorgespeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben voorgespeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben voorgespeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben voorgespeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben voorgespeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt voorgespeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft voorgespeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft voorgespeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is voorgespeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is voorgespeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
speld voor gebiedende wijs
speldde voor verleden tijd
te hebben voorgespeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen voorspelden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
voor te spelden actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
voor te zullen spelden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
voor zal spelden bijzin, toekomende tijd
voor zou spelden bijzin, voorwaardelijk
voor zouden spelden bijzin, voorwaardelijk
voor zoudt spelden bijzin, voorwaardelijk
voor zullen spelden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
voor zullen spelden bijzin, toekomende tijd
voor zult spelden bijzin, toekomende tijd
voorgespeld verleden tijd, deelwoord
voorgespeld te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
voorgespeld te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
voorgespeld te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
voorgespeld te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
voorgespeld te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
voorgespeld worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
voorgespeld zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
voorgespeld zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
voorgespeld zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
voorgespeld zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
voorspeld bijzin, tegenwoordige tijd
voorspeldde bijzin, verleden tijd
voorspeldden bijzin, verleden tijd
voorspeldend onvoltooid, deelwoord
voorspeldt bijzin, tegenwoordige tijd
waart voorgespeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren voorgespeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren voorgespeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren voorgespeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
was voorgespeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was voorgespeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was voorgespeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd voorgespeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd voorgespeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd voorgespeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden voorgespeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden voorgespeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden voorgespeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt voorgespeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word voorgespeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden voorgespeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden voorgespeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden voorgespeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt voorgespeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt voorgespeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal voorgespeld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal voorgespeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal voorgespeld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal voorgespeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal voorgespeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal voorgespeld zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal voorgespeld zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal voorspelden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal voorspelden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal voorspelden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal voorspelden bijzin, toekomende tijd
zijn voorgespeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn voorgespeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn voorgespeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt voorgespeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou voorgespeld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou voorgespeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou voorgespeld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou voorgespeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou voorgespeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou voorgespeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou voorgespeld zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou voorgespeld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou voorgespeld zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou voorspelden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou voorspelden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou voorspelden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou voorspelden bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) voorspelden voor zou(dt) spelden bijzin, voorwaardelijk
zouden voorgespeld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden voorgespeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden voorgespeld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden voorgespeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden voorgespeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden voorgespeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden voorgespeld zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden voorgespeld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden voorgespeld zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden voorspelden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden voorspelden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden voorspelden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden voorspelden bijzin, voorwaardelijk
zoudt voorgespeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt voorgespeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt voorgespeld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt voorspelden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt voorspelden bijzin, voorwaardelijk
zullen voorgespeld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen voorgespeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen voorgespeld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen voorgespeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen voorgespeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen voorgespeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen voorgespeld zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen voorgespeld zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen voorgespeld zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen voorspelden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen voorspelden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen voorspelden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen voorspelden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen voorspelden bijzin, toekomende tijd
zult voorgespeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van voor en spelden

Woordfamilie van voorspelden

Woordvorm Relatie Afgeleid van
speld voor gebiedende wijs voorspelden
speldde voor verleden tijd voorspelden
speldden voor aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon voorspelden
speldt voor aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon voorspelden
voorspeldde subordinate-clause, verleden tijd voorspelden
voorspeldden subordinate-clause, verleden tijd voorspelden
voorspeldend onvoltooid deelwoord voorspelden
voorspeldende woordvorm voorspelden
voorspeldt subordinate-clause, tegenwoordige tijd voorspelden

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van voorspelden zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over voorspelden

Wat is de betekenis van voorspelden?
Voorspelden is een werkwoord. De betekenis is: voor lichaam of borst met spelden vastmaken.
Hoe vervoeg ik voorspelden?
Zo vervoeg je voorspelden zo: het voltooid deelwoord is voorgespeld. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord voorspelden is 21 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. V 4
  2. O 1
  3. O 1
  4. R 2
  5. S 2
  6. P 3
  7. E 1
  8. L 3
  9. D 2
  10. E 1
  11. N 1
  12. 21 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

voorspelden levert met Wordfeud minimaal 22 en maximaal 90 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. V 4
  2. O 1
  3. O 1
  4. R 2
  5. S 2
  6. P 4
  7. E 1
  8. L 3
  9. D 2
  10. E 1
  11. N 1
  12. 22 zonder bonus
  13. 90 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (V) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

voorspelden in het kort

voorspelden staat in dit woordenboek als werkwoord. Van voorspelden staan er 88 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort voorspelden bij een woordfamilie van 9 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

voorspelden: voor lichaam of borst met spelden vastmaken
Deel voorspelden — standaardnederlands.nl