Naar de inhoud

voorkoken

koken voor de eigenlijke bereiding

voorkoken

werkwoord

Betekenis

  1. koken voor de eigenlijke bereiding
  2. een voorbereidende behandeling geven

Vervoeging van voorkoken

voorkokenhele werkwoord — kookte voorverleden tijd enkelvoud — kookten voorverleden tijd meervoud — voorgekooktvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik kook voor kookte voor
jij kookt voor kookte voor
hij, zij, het kookt voor kookte voor
wij koken voor kookten voor
jullie koken voor kookten voor
zij koken voor kookten voor
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben voorgekookt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent voorgekookt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is voorgekookt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was voorgekookt impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd voorgekookt impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt voorgekookt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal voorgekookt worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal voorgekookt zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou voorgekookt worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou voorgekookt zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had voorgekookt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had voorgekookt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had voorgekookt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden voorgekookt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden voorgekookt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden voorgekookt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt voorgekookt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb voorgekookt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben voorgekookt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben voorgekookt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben voorgekookt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben voorgekookt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt voorgekookt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft voorgekookt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft voorgekookt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is voorgekookt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is voorgekookt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
kook voor gebiedende wijs
kookte voor verleden tijd
te hebben voorgekookt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen voorkoken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
voor te koken actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
voor te zullen koken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
voor zal koken bijzin, toekomende tijd
voor zou koken bijzin, voorwaardelijk
voor zouden koken bijzin, voorwaardelijk
voor zoudt koken bijzin, voorwaardelijk
voor zullen koken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
voor zullen koken bijzin, toekomende tijd
voor zult koken bijzin, toekomende tijd
voorgekookt verleden tijd, deelwoord
voorgekookt te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
voorgekookt te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
voorgekookt te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
voorgekookt te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
voorgekookt te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
voorgekookt worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
voorgekookt zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
voorgekookt zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
voorgekookt zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
voorgekookt zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
voorkokend onvoltooid, deelwoord
voorkook bijzin, tegenwoordige tijd
voorkookt bijzin, tegenwoordige tijd
voorkookte bijzin, verleden tijd
voorkookten bijzin, verleden tijd
waart voorgekookt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren voorgekookt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren voorgekookt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren voorgekookt voltooid, verleden tijd, derde persoon
was voorgekookt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was voorgekookt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was voorgekookt voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd voorgekookt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd voorgekookt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd voorgekookt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden voorgekookt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden voorgekookt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden voorgekookt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt voorgekookt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word voorgekookt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden voorgekookt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden voorgekookt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden voorgekookt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt voorgekookt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt voorgekookt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal voorgekookt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal voorgekookt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal voorgekookt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal voorgekookt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal voorgekookt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal voorgekookt zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal voorgekookt zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal voorkoken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal voorkoken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal voorkoken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal voorkoken bijzin, toekomende tijd
zijn voorgekookt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn voorgekookt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn voorgekookt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt voorgekookt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou voorgekookt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou voorgekookt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou voorgekookt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou voorgekookt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou voorgekookt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou voorgekookt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou voorgekookt zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou voorgekookt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou voorgekookt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou voorkoken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou voorkoken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou voorkoken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou voorkoken bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) voorkoken voor zou(dt) koken bijzin, voorwaardelijk
zouden voorgekookt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden voorgekookt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden voorgekookt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden voorgekookt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden voorgekookt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden voorgekookt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden voorgekookt zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden voorgekookt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden voorgekookt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden voorkoken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden voorkoken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden voorkoken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden voorkoken bijzin, voorwaardelijk
zoudt voorgekookt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt voorgekookt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt voorgekookt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt voorkoken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt voorkoken bijzin, voorwaardelijk
zullen voorgekookt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen voorgekookt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen voorgekookt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen voorgekookt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen voorgekookt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen voorgekookt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen voorgekookt zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen voorgekookt zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen voorgekookt zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen voorkoken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen voorkoken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen voorkoken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen voorkoken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen voorkoken bijzin, toekomende tijd
zult voorgekookt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van voor bw en koken ww

Woordfamilie van voorkoken

Woordvorm Relatie Afgeleid van
koke voor woordvorm voorkoken
koken voor aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon voorkoken
kook voor gebiedende wijs voorkoken
kookt voor aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon voorkoken
kookte voor verleden tijd voorkoken
kookten voor aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon voorkoken
voorkoke with-subordinate-clause voorkoken
voorkokend onvoltooid deelwoord voorkoken
voorkokende woordvorm voorkoken
voorkook subordinate-clause, tegenwoordige tijd voorkoken
voorkookt subordinate-clause, tegenwoordige tijd voorkoken
voorkookte subordinate-clause, verleden tijd voorkoken
voorkookten subordinate-clause, verleden tijd voorkoken

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van voorkoken zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over voorkoken

Wat betekent voorkoken?
Voorkoken is een werkwoord. Het woord betekent: koken voor de eigenlijke bereiding. Deze pagina beschrijft 2 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je voorkoken?
Je vervoegt voorkoken als volgt: het voltooid deelwoord is voorgekookt. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord voorkoken is 17 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. V 4
  2. O 1
  3. O 1
  4. R 2
  5. K 3
  6. O 1
  7. K 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 17 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

voorkoken levert met Wordfeud minimaal 17 en maximaal 75 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. V 4
  2. O 1
  3. O 1
  4. R 2
  5. K 3
  6. O 1
  7. K 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 17 zonder bonus
  11. 75 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (V) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

voorkoken in het kort

voorkoken staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 2 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van voorkoken zijn 88 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort voorkoken bij een woordfamilie van 13 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

voorkoken: koken voor de eigenlijke bereiding
Deel voorkoken — standaardnederlands.nl