passeren
werkwoordBetekenis
- voorbijgaan, voorbijsteken, inhalen
- door een zeef laten gaan
- bekrachtigen van een akte door een notaris
- overslaan bij een benoeming
werkwoord
- langskomen, voorbijgaan unergative
- voorbijsteken, inhalen transitive
- overslaan bij een besluitvorming transitive
- gebeuren ergative, obsolete
Vervoeging van passeren
passerenhele werkwoord — passeerdeverleden tijd enkelvoud — passeerdenverleden tijd meervoud — gepasseerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | passeer | passeerde |
| jij | passeert | passeerde |
| hij, zij, het | passeert | passeerde |
| wij | passeren | passeerden |
| jullie | passeren | passeerden |
| zij | passeren | passeerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gepasseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gepasseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gepasseerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gepasseerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gepasseerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gepasseerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gepasseerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gepasseerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gepasseerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gepasseerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gepasseerd | verleden tijd, deelwoord |
| gepasseerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gepasseerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gepasseerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gepasseerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gepasseerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gepasseerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gepasseerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gepasseerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gepasseerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gepasseerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gepasseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gepasseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gepasseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gepasseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gepasseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gepasseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gepasseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gepasseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gepasseerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gepasseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gepasseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gepasseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gepasseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gepasseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gepasseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gepasseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gepasseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| passeer | gebiedende wijs |
| passeerde | verleden tijd |
| passere | aanvoegende wijs |
| passerend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gepasseerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te passeren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen passeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gepasseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gepasseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gepasseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gepasseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gepasseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gepasseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gepasseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gepasseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gepasseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gepasseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gepasseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gepasseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gepasseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gepasseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gepasseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gepasseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gepasseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gepasseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gepasseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gepasseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gepasseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gepasseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gepasseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gepasseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gepasseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gepasseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gepasseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal passeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal passeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal passeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gepasseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gepasseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gepasseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gepasseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gepasseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gepasseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gepasseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gepasseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gepasseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gepasseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gepasseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gepasseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gepasseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou passeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou passeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou passeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gepasseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gepasseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gepasseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gepasseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gepasseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gepasseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gepasseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gepasseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gepasseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden passeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden passeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden passeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gepasseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gepasseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gepasseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt passeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gepasseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gepasseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gepasseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gepasseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gepasseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gepasseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gepasseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gepasseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gepasseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen passeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen passeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen passeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen passeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gepasseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gepasseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gepasseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult passeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Afkomstig van het Franse passer ww (met het achtervoegsel -eren)
Woordfamilie van passeren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gepasseerd | voltooid deelwoord | passeren |
| gepasseerde | woordvorm | passeren |
| passeer | gebiedende wijs | passeren |
| passeerde | verleden tijd | passeren |
| passeerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | passeren |
| passeert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | passeren |
| passere | aanvoegende wijs | passeren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van passeren zijn vastgelegd.