Naar de inhoud

passeren

voorbijgaan, voorbijsteken, inhalen

passeren

werkwoord

Betekenis

  1. voorbijgaan, voorbijsteken, inhalen
  2. door een zeef laten gaan
  3. bekrachtigen van een akte door een notaris
  4. overslaan bij een benoeming

werkwoord

  1. langskomen, voorbijgaan unergative
  2. voorbijsteken, inhalen transitive
  3. overslaan bij een besluitvorming transitive
  4. gebeuren ergative, obsolete

Vervoeging van passeren

passerenhele werkwoord — passeerdeverleden tijd enkelvoud — passeerdenverleden tijd meervoud — gepasseerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik passeer passeerde
jij passeert passeerde
hij, zij, het passeert passeerde
wij passeren passeerden
jullie passeren passeerden
zij passeren passeerden
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben gepasseerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent gepasseerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is gepasseerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gepasseerd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gepasseerd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gepasseerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gepasseerd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gepasseerd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gepasseerd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gepasseerd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gepasseerd verleden tijd, deelwoord
gepasseerd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gepasseerd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gepasseerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gepasseerd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
gepasseerd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gepasseerd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gepasseerd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gepasseerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gepasseerd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
gepasseerd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gepasseerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gepasseerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gepasseerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gepasseerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gepasseerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gepasseerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gepasseerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gepasseerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gepasseerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gepasseerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gepasseerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gepasseerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gepasseerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gepasseerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gepasseerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is gepasseerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is gepasseerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
passeer gebiedende wijs
passeerde verleden tijd
passere aanvoegende wijs
passerend onvoltooid, deelwoord
te hebben gepasseerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te passeren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen passeren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart gepasseerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gepasseerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren gepasseerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gepasseerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was gepasseerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was gepasseerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was gepasseerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd gepasseerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd gepasseerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd gepasseerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden gepasseerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden gepasseerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden gepasseerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt gepasseerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word gepasseerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden gepasseerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden gepasseerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden gepasseerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt gepasseerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt gepasseerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal gepasseerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gepasseerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gepasseerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal gepasseerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gepasseerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal gepasseerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gepasseerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal passeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal passeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal passeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn gepasseerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn gepasseerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn gepasseerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt gepasseerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou gepasseerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gepasseerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gepasseerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou gepasseerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gepasseerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou gepasseerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gepasseerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gepasseerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gepasseerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou passeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou passeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou passeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gepasseerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gepasseerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gepasseerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gepasseerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden gepasseerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden gepasseerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gepasseerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gepasseerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gepasseerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden passeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden passeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden passeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gepasseerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gepasseerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gepasseerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt passeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gepasseerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gepasseerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gepasseerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gepasseerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen gepasseerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen gepasseerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gepasseerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gepasseerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gepasseerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen passeren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen passeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen passeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen passeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult gepasseerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gepasseerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gepasseerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult passeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

Afkomstig van het Franse passer ww (met het achtervoegsel -eren)

Woordfamilie van passeren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gepasseerd voltooid deelwoord passeren
gepasseerde woordvorm passeren
passeer gebiedende wijs passeren
passeerde verleden tijd passeren
passeerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon passeren
passeert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon passeren
passere aanvoegende wijs passeren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van passeren zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over passeren

Wat is de betekenis van passeren?
Passeren is een werkwoord. De betekenis is: voorbijgaan, voorbijsteken, inhalen. In totaal staan er 8 betekenissen.
Hoe vervoeg ik passeren?
Zo vervoeg je passeren zo: de tegenwoordige tijd is passeer, de verleden tijd is passeerde en het voltooid deelwoord is gepasseerd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord passeren is 13 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. P 3
  2. A 1
  3. S 2
  4. S 2
  5. E 1
  6. R 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 13 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

passeren levert met Wordfeud minimaal 14 en maximaal 66 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. P 4
  2. A 1
  3. S 2
  4. S 2
  5. E 1
  6. R 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 14 zonder bonus
  10. 66 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

passeren in het kort

passeren staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 8 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van passeren staan er 75 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort passeren bij een woordfamilie van 7 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

passeren: voorbijgaan, voorbijsteken, inhalen
Deel passeren — standaardnederlands.nl