vluchten
werkwoord, zelfstandig naamwoord /vlɵxtə(n)/Betekenis
- trachten te ontkomen aan dreigend gevaar
Hoe spreek je vluchten uit?
/vlɵxtən/
Vluchten bestaat uit twee lettergrepen.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| l | land |
| ɵ | put |
| x | acht |
| t | tak |
| ə | de |
| n | nek |
Vervoeging van vluchten
vluchtenhele werkwoord — vluchtteverleden tijd enkelvoud — vluchttenverleden tijd meervoud — gevluchtvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | vlucht | vluchtte |
| jij | vlucht | vluchtte |
| hij, zij, het | vlucht | vluchtte |
| wij | vluchten | vluchtten |
| jullie | vluchten | vluchtten |
| zij | vluchten | vluchtten |
Alle 56 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben gevlucht | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gevlucht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| gevlucht | verleden tijd, deelwoord |
| gevlucht te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gevlucht zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| is gevlucht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gevlucht | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te vluchten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zijn gevlucht | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen vluchten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vlucht | gebiedende wijs |
| vluchte | aanvoegende wijs |
| vluchtend | onvoltooid, deelwoord |
| vluchtte | verleden tijd |
| waart gevlucht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gevlucht | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gevlucht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gevlucht | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gevlucht | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gevlucht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gevlucht | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal gevlucht zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gevlucht zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gevlucht zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal vluchten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal vluchten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal vluchten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gevlucht | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn gevlucht | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gevlucht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gevlucht | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gevlucht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gevlucht zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gevlucht zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gevlucht zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou vluchten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou vluchten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou vluchten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gevlucht zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gevlucht zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gevlucht zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vluchten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden vluchten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden vluchten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gevlucht zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vluchten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gevlucht zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gevlucht zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gevlucht zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen vluchten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen vluchten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen vluchten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen vluchten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gevlucht zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult vluchten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord vlucht
Herkomst
In de betekenis van ‘weggaan van gevaar’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1285
Woordfamilie van vluchten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| vluchte | aanvoegende wijs | vluchten |
| vluchtend | onvoltooid deelwoord | vluchten |
| vluchtende | woordvorm | vluchten |
| vluchtte | verleden tijd | vluchten |
| vluchtten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | vluchten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vluchten zijn vastgelegd.