vink
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- een zangvogel
- V-tje waarmee men na iets gecontroleerd te hebben 'afvinkt'
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- Fringilla coelebs, een zangvogel
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| vinken | meervoud |
| vinkje | verkleinwoord, enkelvoud |
| vinkjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vinken
- gebiedende wijs van vinken
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vinken
Vervoeging van vink
vinkhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘zangvogel’ voor het eerst aangetroffen in 1270
Woordfamilie van vink
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| vinkje | verkleinwoord | vink |
| vinkjes | verkleinwoord meervoud | vink |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vink zijn vastgelegd.