verzuimen
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- iets niet doen dat men in principe had behoren te doen
Vervoeging van verzuimen
verzuimenhele werkwoord — verzuimdeverleden tijd enkelvoud — verzuimdenverleden tijd meervoud — verzuimdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | verzuim | verzuimde |
| jij | verzuimt | verzuimde |
| hij, zij, het | verzuimt | verzuimde |
| wij | verzuimen | verzuimden |
| jullie | verzuimen | verzuimden |
| zij | verzuimen | verzuimden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is verzuimd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was verzuimd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd verzuimd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt verzuimd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal verzuimd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal verzuimd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou verzuimd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou verzuimd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had verzuimd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had verzuimd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had verzuimd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden verzuimd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden verzuimd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden verzuimd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt verzuimd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb verzuimd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verzuimd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben verzuimd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verzuimd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben verzuimd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt verzuimd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verzuimd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verzuimd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben verzuimd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te verzuimen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen verzuimen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verzuim | gebiedende wijs |
| verzuimd | verleden tijd, deelwoord |
| verzuimd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verzuimd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verzuimde | verleden tijd |
| verzuime | aanvoegende wijs |
| verzuimend | onvoltooid, deelwoord |
| zal verzuimd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verzuimd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal verzuimd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verzuimen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal verzuimen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal verzuimen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou verzuimd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verzuimd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verzuimd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verzuimen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou verzuimen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou verzuimen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden verzuimd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verzuimd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verzuimd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verzuimen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verzuimen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verzuimen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt verzuimd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verzuimen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen verzuimd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verzuimd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verzuimd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verzuimen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen verzuimen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verzuimen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verzuimen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult verzuimd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verzuimen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord verzuim
Herkomst
In de betekenis van ‘nalaten’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Woordfamilie van verzuimen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| verzuimd | voltooid deelwoord | verzuimen |
| verzuimde | verleden tijd | verzuimen |
| verzuimden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | verzuimen |
| verzuime | aanvoegende wijs | verzuimen |
| verzuimend | onvoltooid deelwoord | verzuimen |
| verzuimende | woordvorm | verzuimen |
| verzuimt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | verzuimen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verzuimen zijn vastgelegd.