Naar de inhoud

verzouten

zouter of te zout worden

verzouten

werkwoord

Betekenis

  1. zouter of te zout worden
  2. zouter of te zout maken

Vervoeging van verzouten

verzoutenhele werkwoord — verzoutteverleden tijd enkelvoud — verzouttenverleden tijd meervoud — verzoutvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik verzout verzoutte
jij verzout verzoutte
hij, zij, het verzout verzoutte
wij verzouten verzoutten
jullie verzouten verzoutten
zij verzouten verzoutten
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben verzout voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
ben verzouten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent verzout voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
bent verzouten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is verzouten impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was verzouten impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd verzouten impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt verzouten impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal verzouten worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal verzouten zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou verzouten worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou verzouten zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had verzouten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had verzouten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had verzouten voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden verzouten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden verzouten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden verzouten voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt verzouten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb verzouten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben verzouten actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben verzouten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben verzouten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben verzouten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt verzouten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft verzouten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft verzouten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is verzout voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is verzout voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is verzouten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is verzouten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben verzouten actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te verzouten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zijn verzout actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen verzouten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
verzout gebiedende wijs
verzout verleden tijd, deelwoord
verzout te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
verzout zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
verzoute aanvoegende wijs
verzouten verleden tijd, deelwoord
verzouten te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
verzouten te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
verzouten te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
verzouten te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
verzouten te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
verzouten worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
verzouten zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
verzouten zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
verzouten zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
verzouten zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
verzoutend onvoltooid, deelwoord
verzoutte verleden tijd
waart verzout voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waart verzouten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren verzout voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren verzout voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren verzout voltooid, verleden tijd, derde persoon
waren verzouten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren verzouten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren verzouten voltooid, verleden tijd, derde persoon
was verzout voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was verzout voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was verzout voltooid, verleden tijd, derde persoon
was verzouten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was verzouten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was verzouten voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd verzouten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd verzouten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd verzouten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden verzouten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden verzouten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden verzouten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt verzouten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word verzouten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden verzouten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden verzouten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden verzouten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt verzouten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt verzouten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal verzout zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal verzout zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal verzout zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal verzouten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal verzouten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal verzouten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal verzouten hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal verzouten hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal verzouten hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal verzouten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal verzouten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal verzouten zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal verzouten zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn verzout actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn verzout voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn verzout voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn verzout voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijn verzouten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn verzouten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn verzouten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt verzout voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijt verzouten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou verzout zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou verzout zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou verzout zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou verzouten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou verzouten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou verzouten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou verzouten hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou verzouten hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou verzouten hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou verzouten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou verzouten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou verzouten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou verzouten zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou verzouten zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou verzouten zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden verzout zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden verzout zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden verzout zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden verzouten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden verzouten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden verzouten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden verzouten hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden verzouten hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden verzouten hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden verzouten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden verzouten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden verzouten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden verzouten zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden verzouten zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden verzouten zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt verzout zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt verzouten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt verzouten hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt verzouten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt verzouten zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen verzout zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon

Woordvorm

  • voltooid deelwoord van verzouten

Vervoeging van verzouten

verzoutenhele werkwoord — verzoutteverleden tijd enkelvoud — verzouttenverleden tijd meervoud — verzoutvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik verzout verzoutte
jij verzout verzoutte
hij, zij, het verzout verzoutte
wij verzouten verzoutten
jullie verzouten verzoutten
zij verzouten verzoutten
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben verzout voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
ben verzouten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent verzout voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
bent verzouten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is verzouten impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was verzouten impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd verzouten impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt verzouten impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal verzouten worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal verzouten zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou verzouten worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou verzouten zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had verzouten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had verzouten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had verzouten voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden verzouten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden verzouten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden verzouten voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt verzouten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb verzouten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben verzouten actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben verzouten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben verzouten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben verzouten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt verzouten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft verzouten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft verzouten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is verzout voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is verzout voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is verzouten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is verzouten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben verzouten actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te verzouten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zijn verzout actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen verzouten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
verzout gebiedende wijs
verzout verleden tijd, deelwoord
verzout te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
verzout zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
verzoute aanvoegende wijs
verzouten verleden tijd, deelwoord
verzouten te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
verzouten te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
verzouten te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
verzouten te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
verzouten te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
verzouten worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
verzouten zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
verzouten zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
verzouten zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
verzouten zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
verzoutend onvoltooid, deelwoord
verzoutte verleden tijd
waart verzout voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waart verzouten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren verzout voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren verzout voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren verzout voltooid, verleden tijd, derde persoon
waren verzouten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren verzouten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren verzouten voltooid, verleden tijd, derde persoon
was verzout voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was verzout voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was verzout voltooid, verleden tijd, derde persoon
was verzouten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was verzouten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was verzouten voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd verzouten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd verzouten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd verzouten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden verzouten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden verzouten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden verzouten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt verzouten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word verzouten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden verzouten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden verzouten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden verzouten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt verzouten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt verzouten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal verzout zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal verzout zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal verzout zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal verzouten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal verzouten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal verzouten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal verzouten hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal verzouten hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal verzouten hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal verzouten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal verzouten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal verzouten zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal verzouten zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn verzout actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn verzout voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn verzout voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn verzout voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijn verzouten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn verzouten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn verzouten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt verzout voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijt verzouten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou verzout zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou verzout zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou verzout zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou verzouten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou verzouten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou verzouten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou verzouten hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou verzouten hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou verzouten hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou verzouten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou verzouten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou verzouten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou verzouten zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou verzouten zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou verzouten zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden verzout zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden verzout zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden verzout zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden verzouten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden verzouten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden verzouten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden verzouten hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden verzouten hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden verzouten hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden verzouten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden verzouten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden verzouten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden verzouten zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden verzouten zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden verzouten zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt verzout zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt verzouten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt verzouten hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt verzouten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt verzouten zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen verzout zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon

Herkomst

afgeleid van zouten met het voorvoegsel ver-

Woordfamilie van verzouten

Woordvorm Relatie Afgeleid van
verzout voltooid deelwoord verzouten
verzoute aanvoegende wijs verzouten
verzoutend onvoltooid deelwoord verzouten
verzoutende woordvorm verzouten
verzoutte verleden tijd verzouten
verzoutten aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon verzouten

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verzouten zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over verzouten

Wat is de betekenis van verzouten?
Verzouten is een werkwoord. De betekenis is: zouter of te zout worden. In totaal staan er 2 betekenissen.
Hoe vervoeg ik verzouten?
Zo vervoeg je verzouten zo: de tegenwoordige tijd is verzout, de verleden tijd is verzoutte en het voltooid deelwoord is verzout. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord verzouten is 20 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. V 4
  2. E 1
  3. R 2
  4. Z 4
  5. O 1
  6. U 4
  7. T 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 20 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

verzouten levert met Wordfeud minimaal 19 en maximaal 87 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. V 4
  2. E 1
  3. R 2
  4. Z 5
  5. O 1
  6. U 2
  7. T 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 19 zonder bonus
  11. 87 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (Z) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

verzouten in het kort

verzouten staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 2 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van verzouten staan er 90 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort verzouten bij een woordfamilie van 6 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

verzouten: zouter of te zout worden
Deel verzouten — standaardnederlands.nl