verzouten
werkwoordBetekenis
- zouter of te zout worden
- zouter of te zout maken
Vervoeging van verzouten
verzoutenhele werkwoord — verzoutteverleden tijd enkelvoud — verzouttenverleden tijd meervoud — verzoutvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | verzout | verzoutte |
| jij | verzout | verzoutte |
| hij, zij, het | verzout | verzoutte |
| wij | verzouten | verzoutten |
| jullie | verzouten | verzoutten |
| zij | verzouten | verzoutten |
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben verzout | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| ben verzouten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent verzout | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| bent verzouten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is verzouten | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was verzouten | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd verzouten | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt verzouten | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal verzouten worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal verzouten zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou verzouten worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou verzouten zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had verzouten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had verzouten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had verzouten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden verzouten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden verzouten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden verzouten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt verzouten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb verzouten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verzouten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben verzouten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verzouten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben verzouten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt verzouten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verzouten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verzouten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is verzout | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is verzout | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is verzouten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is verzouten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben verzouten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te verzouten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zijn verzout | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen verzouten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verzout | gebiedende wijs |
| verzout | verleden tijd, deelwoord |
| verzout te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verzout zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verzoute | aanvoegende wijs |
| verzouten | verleden tijd, deelwoord |
| verzouten te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verzouten te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verzouten te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verzouten te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verzouten te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verzouten worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verzouten zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verzouten zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verzouten zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verzouten zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verzoutend | onvoltooid, deelwoord |
| verzoutte | verleden tijd |
| waart verzout | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waart verzouten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verzout | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren verzout | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verzout | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| waren verzouten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren verzouten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verzouten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was verzout | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was verzout | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was verzout | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was verzouten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was verzouten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was verzouten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd verzouten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd verzouten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd verzouten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden verzouten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden verzouten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden verzouten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt verzouten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word verzouten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden verzouten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden verzouten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden verzouten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt verzouten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt verzouten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal verzout zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verzout zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal verzout zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verzouten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal verzouten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal verzouten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal verzouten hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verzouten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal verzouten hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verzouten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verzouten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal verzouten zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verzouten zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn verzout | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn verzout | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn verzout | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn verzout | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijn verzouten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn verzouten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn verzouten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt verzout | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijt verzouten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou verzout zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verzout zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verzout zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verzouten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou verzouten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou verzouten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou verzouten hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verzouten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verzouten hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verzouten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verzouten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou verzouten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verzouten zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verzouten zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verzouten zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verzout zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verzout zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verzout zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verzouten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verzouten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verzouten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden verzouten hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verzouten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verzouten hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verzouten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verzouten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verzouten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verzouten zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verzouten zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verzouten zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt verzout zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verzouten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt verzouten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verzouten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verzouten zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen verzout zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
Woordvorm
- voltooid deelwoord van verzouten
Vervoeging van verzouten
verzoutenhele werkwoord — verzoutteverleden tijd enkelvoud — verzouttenverleden tijd meervoud — verzoutvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | verzout | verzoutte |
| jij | verzout | verzoutte |
| hij, zij, het | verzout | verzoutte |
| wij | verzouten | verzoutten |
| jullie | verzouten | verzoutten |
| zij | verzouten | verzoutten |
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben verzout | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| ben verzouten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent verzout | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| bent verzouten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is verzouten | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was verzouten | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd verzouten | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt verzouten | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal verzouten worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal verzouten zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou verzouten worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou verzouten zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had verzouten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had verzouten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had verzouten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden verzouten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden verzouten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden verzouten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt verzouten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb verzouten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verzouten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben verzouten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verzouten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben verzouten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt verzouten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verzouten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verzouten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is verzout | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is verzout | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is verzouten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is verzouten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben verzouten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te verzouten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zijn verzout | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen verzouten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verzout | gebiedende wijs |
| verzout | verleden tijd, deelwoord |
| verzout te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verzout zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verzoute | aanvoegende wijs |
| verzouten | verleden tijd, deelwoord |
| verzouten te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verzouten te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verzouten te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verzouten te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verzouten te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verzouten worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verzouten zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verzouten zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verzouten zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verzouten zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verzoutend | onvoltooid, deelwoord |
| verzoutte | verleden tijd |
| waart verzout | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waart verzouten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verzout | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren verzout | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verzout | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| waren verzouten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren verzouten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verzouten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was verzout | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was verzout | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was verzout | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was verzouten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was verzouten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was verzouten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd verzouten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd verzouten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd verzouten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden verzouten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden verzouten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden verzouten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt verzouten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word verzouten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden verzouten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden verzouten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden verzouten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt verzouten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt verzouten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal verzout zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verzout zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal verzout zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verzouten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal verzouten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal verzouten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal verzouten hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verzouten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal verzouten hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verzouten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verzouten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal verzouten zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verzouten zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn verzout | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn verzout | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn verzout | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn verzout | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijn verzouten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn verzouten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn verzouten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt verzout | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijt verzouten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou verzout zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verzout zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verzout zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verzouten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou verzouten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou verzouten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou verzouten hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verzouten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verzouten hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verzouten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verzouten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou verzouten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verzouten zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verzouten zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verzouten zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verzout zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verzout zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verzout zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verzouten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verzouten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verzouten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden verzouten hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verzouten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verzouten hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verzouten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verzouten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verzouten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verzouten zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verzouten zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verzouten zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt verzout zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verzouten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt verzouten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verzouten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verzouten zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen verzout zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
Herkomst
afgeleid van zouten met het voorvoegsel ver-
Woordfamilie van verzouten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| verzout | voltooid deelwoord | verzouten |
| verzoute | aanvoegende wijs | verzouten |
| verzoutend | onvoltooid deelwoord | verzouten |
| verzoutende | woordvorm | verzouten |
| verzoutte | verleden tijd | verzouten |
| verzoutten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | verzouten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verzouten zijn vastgelegd.