verzuchten
werkwoordBetekenis
- op een klagende, berustende toon uitspreken
- op een smachtende toon uitspreken
Vervoeging van verzuchten
verzuchtenhele werkwoord — verzuchtteverleden tijd enkelvoud — verzuchttenverleden tijd meervoud — verzuchtvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | verzucht | verzuchtte |
| jij | verzucht | verzuchtte |
| hij, zij, het | verzucht | verzuchtte |
| wij | verzuchten | verzuchtten |
| jullie | verzuchten | verzuchtten |
| zij | verzuchten | verzuchtten |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben verzucht | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent verzucht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is verzucht | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was verzucht | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd verzucht | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt verzucht | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal verzucht worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal verzucht zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou verzucht worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou verzucht zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had verzucht | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had verzucht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had verzucht | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden verzucht | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden verzucht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden verzucht | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt verzucht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb verzucht | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verzucht | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben verzucht | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verzucht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben verzucht | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt verzucht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verzucht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verzucht | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is verzucht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is verzucht | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben verzucht | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te verzuchten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen verzuchten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verzucht | gebiedende wijs |
| verzucht | verleden tijd, deelwoord |
| verzucht te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verzucht te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verzucht te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verzucht te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verzucht te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verzucht worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verzucht zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verzucht zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verzucht zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verzucht zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verzuchte | aanvoegende wijs |
| verzuchtend | onvoltooid, deelwoord |
| verzuchtte | verleden tijd |
| waart verzucht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verzucht | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren verzucht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verzucht | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was verzucht | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was verzucht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was verzucht | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd verzucht | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd verzucht | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd verzucht | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden verzucht | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden verzucht | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden verzucht | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt verzucht | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word verzucht | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden verzucht | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden verzucht | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden verzucht | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt verzucht | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt verzucht | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal verzucht hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verzucht hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal verzucht hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verzucht worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verzucht worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal verzucht zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verzucht zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verzuchten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal verzuchten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal verzuchten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn verzucht | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn verzucht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn verzucht | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt verzucht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou verzucht hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verzucht hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verzucht hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verzucht worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verzucht worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou verzucht worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verzucht zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verzucht zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verzucht zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verzuchten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou verzuchten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou verzuchten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden verzucht hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verzucht hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verzucht hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verzucht worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verzucht worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verzucht worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verzucht zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verzucht zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verzucht zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verzuchten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verzuchten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verzuchten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt verzucht hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verzucht worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verzucht zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verzuchten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen verzucht hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verzucht hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verzucht hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verzucht worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verzucht worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verzucht worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verzucht zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verzucht zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verzucht zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verzuchten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen verzuchten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verzuchten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verzuchten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult verzucht hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verzucht worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verzucht zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verzuchten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Afgeleid van zuchten met het voorvoegsel ver-
Woordfamilie van verzuchten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| verzucht | voltooid deelwoord | verzuchten |
| verzuchte | aanvoegende wijs | verzuchten |
| verzuchtend | onvoltooid deelwoord | verzuchten |
| verzuchtende | woordvorm | verzuchten |
| verzuchtte | verleden tijd | verzuchten |
| verzuchtten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | verzuchten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verzuchten zijn vastgelegd.