verwittigen
werkwoordBetekenis
- ~ van iemand ergens van op de hoogte brengen
Vervoeging van verwittigen
verwittigenhele werkwoord — verwittigdeverleden tijd enkelvoud — verwittigdenverleden tijd meervoud — verwittigdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | verwittig | verwittigde |
| jij | verwittigt | verwittigde |
| hij, zij, het | verwittigt | verwittigde |
| wij | verwittigen | verwittigden |
| jullie | verwittigen | verwittigden |
| zij | verwittigen | verwittigden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben verwittigd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent verwittigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is verwittigd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was verwittigd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd verwittigd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt verwittigd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal verwittigd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal verwittigd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou verwittigd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou verwittigd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had verwittigd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had verwittigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had verwittigd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden verwittigd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden verwittigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden verwittigd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt verwittigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb verwittigd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verwittigd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben verwittigd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verwittigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben verwittigd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt verwittigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verwittigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verwittigd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is verwittigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is verwittigd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben verwittigd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te verwittigen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen verwittigen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verwittig | gebiedende wijs |
| verwittigd | verleden tijd, deelwoord |
| verwittigd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verwittigd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verwittigd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verwittigd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verwittigd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verwittigd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verwittigd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verwittigd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verwittigd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verwittigd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verwittigde | verleden tijd |
| verwittige | aanvoegende wijs |
| verwittigend | onvoltooid, deelwoord |
| waart verwittigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verwittigd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren verwittigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verwittigd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was verwittigd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was verwittigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was verwittigd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd verwittigd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd verwittigd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd verwittigd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden verwittigd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden verwittigd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden verwittigd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt verwittigd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word verwittigd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden verwittigd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden verwittigd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden verwittigd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt verwittigd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt verwittigd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal verwittigd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verwittigd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal verwittigd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verwittigd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verwittigd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal verwittigd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verwittigd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verwittigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal verwittigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal verwittigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn verwittigd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn verwittigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn verwittigd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt verwittigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou verwittigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verwittigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verwittigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verwittigd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verwittigd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou verwittigd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verwittigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verwittigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verwittigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verwittigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou verwittigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou verwittigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden verwittigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verwittigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verwittigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verwittigd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verwittigd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verwittigd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verwittigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verwittigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verwittigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verwittigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verwittigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verwittigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt verwittigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verwittigd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verwittigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verwittigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen verwittigd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verwittigd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verwittigd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verwittigd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verwittigd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verwittigd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verwittigd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verwittigd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verwittigd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verwittigen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen verwittigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verwittigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verwittigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult verwittigd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verwittigd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verwittigd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verwittigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘doen weten’ voor het eerst aangetroffen in 1511
Woordfamilie van verwittigen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| verwittig | gebiedende wijs | verwittigen |
| verwittigd | voltooid deelwoord | verwittigen |
| verwittigde | verleden tijd | verwittigen |
| verwittigden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | verwittigen |
| verwittige | aanvoegende wijs | verwittigen |
| verwittigend | onvoltooid deelwoord | verwittigen |
| verwittigende | woordvorm | verwittigen |
| verwittigt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | verwittigen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verwittigen zijn vastgelegd.