verstrengelen
werkwoordBetekenis
- door elkaar doen lopen, verward maken
- verenigen
Vervoeging van verstrengelen
verstrengelenhele werkwoord — verstrengeldeverleden tijd enkelvoud — verstrengeldenverleden tijd meervoud — verstrengeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | verstrengel | verstrengelde |
| jij | verstrengelt | verstrengelde |
| hij, zij, het | verstrengelt | verstrengelde |
| wij | verstrengelen | verstrengelden |
| jullie | verstrengelen | verstrengelden |
| zij | verstrengelen | verstrengelden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben verstrengeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent verstrengeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is verstrengeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was verstrengeld | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd verstrengeld | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt verstrengeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal verstrengeld worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal verstrengeld zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou verstrengeld worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou verstrengeld zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had verstrengeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had verstrengeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had verstrengeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden verstrengeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden verstrengeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden verstrengeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt verstrengeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb verstrengeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verstrengeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben verstrengeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verstrengeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben verstrengeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt verstrengeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verstrengeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verstrengeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is verstrengeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is verstrengeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben verstrengeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te verstrengelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen verstrengelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verstrengel | gebiedende wijs |
| verstrengeld | verleden tijd, deelwoord |
| verstrengeld te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verstrengeld te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verstrengeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verstrengeld te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verstrengeld te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verstrengeld worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verstrengeld zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verstrengeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verstrengeld zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verstrengeld zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verstrengelde | verleden tijd |
| verstrengele | aanvoegende wijs |
| verstrengelend | onvoltooid, deelwoord |
| waart verstrengeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verstrengeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren verstrengeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verstrengeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was verstrengeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was verstrengeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was verstrengeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd verstrengeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd verstrengeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd verstrengeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden verstrengeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden verstrengeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden verstrengeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt verstrengeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word verstrengeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden verstrengeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden verstrengeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden verstrengeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt verstrengeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt verstrengeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal verstrengeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verstrengeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal verstrengeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verstrengeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verstrengeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal verstrengeld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verstrengeld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verstrengelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal verstrengelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal verstrengelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn verstrengeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn verstrengeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn verstrengeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt verstrengeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou verstrengeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verstrengeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verstrengeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verstrengeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verstrengeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou verstrengeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verstrengeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verstrengeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verstrengeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verstrengelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou verstrengelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou verstrengelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden verstrengeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verstrengeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verstrengeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verstrengeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verstrengeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verstrengeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verstrengeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verstrengeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verstrengeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verstrengelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verstrengelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verstrengelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt verstrengeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verstrengeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verstrengeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verstrengelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen verstrengeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verstrengeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verstrengeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verstrengeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verstrengeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verstrengeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verstrengeld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verstrengeld zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verstrengeld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verstrengelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen verstrengelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verstrengelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verstrengelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult verstrengeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verstrengeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verstrengeld zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verstrengelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van strengelen met het voorvoegsel ver-
Woordfamilie van verstrengelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| verstrengel | gebiedende wijs | verstrengelen |
| verstrengeld | voltooid deelwoord | verstrengelen |
| verstrengelde | verleden tijd | verstrengelen |
| verstrengelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | verstrengelen |
| verstrengele | aanvoegende wijs | verstrengelen |
| verstrengelend | onvoltooid deelwoord | verstrengelen |
| verstrengelende | woordvorm | verstrengelen |
| verstrengelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | verstrengelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verstrengelen zijn vastgelegd.