veroorloven
werkwoordBetekenis
- zich ~ zichzelf iets toestaan, gewoonlijk een financiële uitgave
- zich ~ niet schromen een bepaald gedrag te vertonen
Vervoeging van veroorloven
veroorlovenhele werkwoord — veroorloofdeverleden tijd enkelvoud — veroorloofdenverleden tijd meervoud — veroorloofdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | veroorloof | veroorloofde |
| jij | veroorlooft | veroorloofde |
| hij, zij, het | veroorlooft | veroorloofde |
| wij | veroorloven | veroorloofden |
| jullie | veroorloven | veroorloofden |
| zij | veroorloven | veroorloofden |
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben veroorloofd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent veroorloofd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is veroorloofd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was veroorloofd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd veroorloofd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt veroorloofd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal veroorloofd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal veroorloofd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou veroorloofd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou veroorloofd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had veroorloofd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had veroorloofd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had veroorloofd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden veroorloofd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden veroorloofd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden veroorloofd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt veroorloofd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb veroorloofd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben veroorloofd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben veroorloofd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben veroorloofd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben veroorloofd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt veroorloofd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft veroorloofd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft veroorloofd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is veroorloofd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is veroorloofd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben veroorloofd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te veroorloven | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen veroorloven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| veroorloof | gebiedende wijs |
| veroorloof me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| veroorloof u/je , veroorlooft je | gebiedende wijs |
| veroorloofd | verleden tijd, deelwoord |
| veroorloofd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| veroorloofd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| veroorloofd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| veroorloofd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| veroorloofd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| veroorloofd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| veroorloofd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| veroorloofd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| veroorloofd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| veroorloofd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| veroorloofde | verleden tijd |
| veroorloofde je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| veroorloofde me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| veroorloofde u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| veroorloofde u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| veroorloofde zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| veroorloofde zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| veroorloofde zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| veroorloofden je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| veroorloofden ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| veroorloofden zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| veroorlooft je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| veroorlooft u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| veroorlooft u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| veroorlooft zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| veroorlooft zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| veroorlooft zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| veroorlove | aanvoegende wijs |
| veroorlove zich | aanvoegende wijs |
| veroorloven je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| veroorloven ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| veroorloven zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| veroorlovend | onvoltooid, deelwoord |
| waart veroorloofd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren veroorloofd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren veroorloofd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren veroorloofd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was veroorloofd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was veroorloofd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was veroorloofd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd veroorloofd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd veroorloofd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd veroorloofd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden veroorloofd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden veroorloofd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden veroorloofd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt veroorloofd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word veroorloofd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden veroorloofd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden veroorloofd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden veroorloofd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt veroorloofd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt veroorloofd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal me veroorloven | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal veroorloofd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal veroorloofd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal veroorloofd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal veroorloofd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal veroorloofd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal veroorloofd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal veroorloofd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal veroorloven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal veroorloven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal veroorloven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal zich veroorloven | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je veroorloven | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich veroorloofd hebben | verleden tijd |
| zich veroorlovend | onvoltooid, deelwoord |
| zijn veroorloofd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn veroorloofd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn veroorloofd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt veroorloofd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou veroorloofd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou veroorloofd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou veroorloofd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou veroorloofd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou veroorloofd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou veroorloofd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou veroorloofd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou veroorloofd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou veroorloofd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou veroorloven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou veroorloven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou veroorloven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden veroorloofd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden veroorloofd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden veroorloofd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden veroorloofd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden veroorloofd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden veroorloofd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden veroorloofd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden veroorloofd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden veroorloofd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden veroorloven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden veroorloven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden veroorloven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt veroorloofd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt veroorloofd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt veroorloofd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt veroorloven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen je veroorloven | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen ons veroorloven | eerste persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen veroorloofd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen veroorloofd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Afgeleid van het verouderde werkwoord oorloven met het voorvoegsel ver-.
Woordfamilie van veroorloven
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| veroorloof | gebiedende wijs | veroorloven |
| veroorloofd | voltooid deelwoord | veroorloven |
| veroorloofde | verleden tijd | veroorloven |
| veroorloofden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | veroorloven |
| veroorlooft | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | veroorloven |
| veroorlove | aanvoegende wijs | veroorloven |
| veroorlovend | onvoltooid deelwoord | veroorloven |
| veroorlovende | woordvorm | veroorloven |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van veroorloven zijn vastgelegd.