vermolmen
werkwoordBetekenis
- zacht worden door een proces van verrotting
Vervoeging van vermolmen
vermolmenhele werkwoord — vermolmdeverleden tijd enkelvoud — vermolmdenverleden tijd meervoud — vermolmdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | vermolm | vermolmde |
| jij | vermolmt | vermolmde |
| hij, zij, het | vermolmt | vermolmde |
| wij | vermolmen | vermolmden |
| jullie | vermolmen | vermolmden |
| zij | vermolmen | vermolmden |
Alle 56 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben vermolmd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent vermolmd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| is vermolmd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is vermolmd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te vermolmen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zijn vermolmd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen vermolmen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vermolm | gebiedende wijs |
| vermolmd | verleden tijd, deelwoord |
| vermolmd te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vermolmd zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vermolmde | verleden tijd |
| vermolme | aanvoegende wijs |
| vermolmend | onvoltooid, deelwoord |
| waart vermolmd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren vermolmd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren vermolmd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren vermolmd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was vermolmd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was vermolmd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was vermolmd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal vermolmd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal vermolmd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal vermolmd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal vermolmen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal vermolmen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal vermolmen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn vermolmd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn vermolmd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn vermolmd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn vermolmd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt vermolmd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou vermolmd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou vermolmd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou vermolmd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou vermolmen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou vermolmen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou vermolmen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden vermolmd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden vermolmd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden vermolmd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vermolmen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden vermolmen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden vermolmen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt vermolmd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vermolmen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen vermolmd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen vermolmd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen vermolmd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen vermolmen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen vermolmen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen vermolmen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen vermolmen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult vermolmd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult vermolmen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van molm met het voorvoegsel ver- en met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van vermolmen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| vermolm | gebiedende wijs | vermolmen |
| vermolmden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | vermolmen |
| vermolme | aanvoegende wijs | vermolmen |
| vermolmend | onvoltooid deelwoord | vermolmen |
| vermolmende | woordvorm | vermolmen |
| vermolmt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | vermolmen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vermolmen zijn vastgelegd.