vermommen
werkwoordBetekenis
- zich op onherkenbare wijze uitdossen
- iemand op herkenbare wijze uitdossen
Vervoeging van vermommen
vermommenhele werkwoord — vermomdeverleden tijd enkelvoud — vermomdenverleden tijd meervoud — vermomdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | vermom | vermomde |
| jij | vermomt | vermomde |
| hij, zij, het | vermomt | vermomde |
| wij | vermommen | vermomden |
| jullie | vermommen | vermomden |
| zij | vermommen | vermomden |
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben vermomd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent vermomd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is vermomd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was vermomd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd vermomd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt vermomd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal vermomd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal vermomd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou vermomd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou vermomd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had vermomd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had vermomd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had vermomd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden vermomd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden vermomd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden vermomd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt vermomd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb vermomd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben vermomd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben vermomd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben vermomd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben vermomd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt vermomd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft vermomd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft vermomd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is vermomd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is vermomd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben vermomd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te vermommen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen vermommen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vermom | gebiedende wijs |
| vermom me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| vermom u/je , vermomt je | gebiedende wijs |
| vermomd | verleden tijd, deelwoord |
| vermomd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| vermomd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| vermomd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vermomd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vermomd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vermomd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| vermomd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| vermomd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vermomd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vermomd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vermomde | verleden tijd |
| vermomde je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| vermomde me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| vermomde u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| vermomde u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| vermomde zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| vermomde zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| vermomde zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| vermomden je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| vermomden ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| vermomden zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| vermomme | aanvoegende wijs |
| vermomme zich | aanvoegende wijs |
| vermommen je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| vermommen ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| vermommen zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| vermommend | onvoltooid, deelwoord |
| vermomt je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| vermomt u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| vermomt u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| vermomt zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| vermomt zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| vermomt zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| waart vermomd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren vermomd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren vermomd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren vermomd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was vermomd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was vermomd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was vermomd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd vermomd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd vermomd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd vermomd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden vermomd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden vermomd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden vermomd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt vermomd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word vermomd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden vermomd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden vermomd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden vermomd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt vermomd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt vermomd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal me vermommen | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal vermomd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal vermomd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal vermomd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal vermomd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal vermomd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal vermomd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal vermomd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal vermommen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal vermommen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal vermommen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal zich vermommen | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je vermommen | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich vermomd hebben | verleden tijd |
| zich vermommend | onvoltooid, deelwoord |
| zijn vermomd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn vermomd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn vermomd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt vermomd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou vermomd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou vermomd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou vermomd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou vermomd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou vermomd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou vermomd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou vermomd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou vermomd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou vermomd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou vermommen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou vermommen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou vermommen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden vermomd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden vermomd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden vermomd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vermomd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden vermomd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden vermomd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vermomd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden vermomd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden vermomd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vermommen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden vermommen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden vermommen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt vermomd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vermomd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vermomd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vermommen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen je vermommen | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen ons vermommen | eerste persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen vermomd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen vermomd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Afgeleid van mommen met het voorvoegsel ver-
Woordfamilie van vermommen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| vermom | gebiedende wijs | vermommen |
| vermomd | voltooid deelwoord | vermommen |
| vermomde | verleden tijd | vermommen |
| vermomden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | vermommen |
| vermomme | aanvoegende wijs | vermommen |
| vermommend | onvoltooid deelwoord | vermommen |
| vermommende | woordvorm | vermommen |
| vermomt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | vermommen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vermommen zijn vastgelegd.