verlijden
werkwoordBetekenis
- van een acte ten einde lopen, verlopen
- een notariële acte geldigheid verlenen
werkwoord
- van een akte ten einde lopen, verlopen ergative
- een notariële akte geldigheid verlenen transitive
Vervoeging van verlijden
verlijdenhele werkwoord — verleedverleden tijd enkelvoud — verledenverleden tijd meervoud — verledenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | verlijd | verleed |
| jij | verlijdt | verleed |
| hij, zij, het | verlijdt | verleed |
| wij | verlijden | verleden |
| jullie | verlijden | verleden |
| zij | verlijden | verleden |
Alle 61 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief, voltooid |
| er is verleden | impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon, voltooid |
| er was verleden | impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, derde persoon, voltooid |
| er werd verleden | impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, eerste persoon, onvoltooid |
| er wordt verleden | impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon, onvoltooid |
| er zal verleden worden | impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, eerste persoon, onvoltooid |
| er zal verleden zijn | impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, derde persoon, voltooid |
| er zou verleden worden | impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon, onvoltooid |
| er zou verleden zijn | impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, derde persoon, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| hebben verleden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| is verleden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben/zijn verleden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te verlijden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen verlijden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verleden | verleden tijd, deelwoord |
| verleden te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verleden te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verleden te zullen hebben/zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verleden te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verleden te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verleden worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verleden zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verleden zullen hebben/zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verleden zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verleden zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verleed | verleden tijd |
| verlijd | gebiedende wijs |
| verlijde | aanvoegende wijs |
| verlijdend | onvoltooid, deelwoord |
| waren verleden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was verleden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd verleden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werden verleden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| worden verleden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt verleden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| zal verleden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal verleden zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verlijden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal verlijden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal verlijden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn verleden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn verleden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zou verleden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou verleden zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verlijden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou verlijden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou verlijden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden verleden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verleden zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verlijden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verlijden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verlijden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt verlijden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen verleden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verleden zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verlijden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen verlijden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verlijden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verlijden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult verlijden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van lijden met het voorvoegsel ver-
Woordfamilie van verlijden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| verleed | verleden tijd | verlijden |
| verlijd | gebiedende wijs | verlijden |
| verlijde | aanvoegende wijs | verlijden |
| verlijdend | onvoltooid deelwoord | verlijden |
| verlijdende | woordvorm | verlijden |
| verlijdt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | verlijden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verlijden zijn vastgelegd.