verleden
zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord, werkwoordBetekenis
- de voorafgaande tijd, dat wat voorbij is
- voorbij
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| verledens | meervoud |
| verledentje | verkleinwoord, enkelvoud |
| verledentjes | verkleinwoord, meervoud |
bijvoeglijk naamwoord
- voorafgaand aan de huidige; voorbij
Woordvorm
- meervoud verleden tijd van verlijden
- voltooid deelwoord van verlijden
Vervoeging van verleden
verledenhele werkwoord
Herkomst
*vervoeging van verlijden: de stam met de uitgang -en, zonder ge- vanwege voorvoegsel (is gelijk aan de onbepaalde wijs) maar met een klinkerwisseling ij-ee (IPAː /ɛi/ - /e/)
Woordfamilie van verleden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| verledens | meervoud | verleden |
| verledentje | verkleinwoord | verleden |
| verledentjes | verkleinwoord meervoud | verleden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verleden zijn vastgelegd.