verkorten
werkwoordBetekenis
- korter maken
Vervoeging van verkorten
verkortenhele werkwoord — verkortteverleden tijd enkelvoud — verkorttenverleden tijd meervoud — verkortvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | verkort | verkortte |
| jij | verkort | verkortte |
| hij, zij, het | verkort | verkortte |
| wij | verkorten | verkortten |
| jullie | verkorten | verkortten |
| zij | verkorten | verkortten |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben verkort | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent verkort | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is verkort | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was verkort | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd verkort | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt verkort | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal verkort worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal verkort zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou verkort worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou verkort zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had verkort | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had verkort | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had verkort | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden verkort | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden verkort | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden verkort | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt verkort | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb verkort | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verkort | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben verkort | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verkort | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben verkort | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt verkort | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verkort | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verkort | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is verkort | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is verkort | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben verkort | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te verkorten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen verkorten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verkort | gebiedende wijs |
| verkort | verleden tijd, deelwoord |
| verkort te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verkort te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verkort te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verkort te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verkort te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verkort worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verkort zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verkort zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verkort zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verkort zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verkorte | aanvoegende wijs |
| verkortend | onvoltooid, deelwoord |
| verkortte | verleden tijd |
| waart verkort | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verkort | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren verkort | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verkort | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was verkort | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was verkort | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was verkort | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd verkort | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd verkort | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd verkort | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden verkort | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden verkort | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden verkort | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt verkort | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word verkort | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden verkort | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden verkort | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden verkort | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt verkort | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt verkort | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal verkort hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verkort hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal verkort hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verkort worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verkort worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal verkort zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verkort zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verkorten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal verkorten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal verkorten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn verkort | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn verkort | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn verkort | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt verkort | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou verkort hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verkort hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verkort hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verkort worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verkort worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou verkort worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verkort zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verkort zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verkort zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verkorten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou verkorten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou verkorten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden verkort hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verkort hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verkort hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verkort worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verkort worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verkort worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verkort zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verkort zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verkort zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verkorten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verkorten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verkorten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt verkort hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verkort worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verkort zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verkorten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen verkort hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verkort hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verkort hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verkort worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verkort worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verkort worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verkort zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verkort zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verkort zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verkorten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen verkorten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verkorten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verkorten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult verkort hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verkort worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verkort zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verkorten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van kort met het voorvoegsel ver- en met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van verkorten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| verkort | voltooid deelwoord | verkorten |
| verkortend | onvoltooid deelwoord | verkorten |
| verkortende | woordvorm | verkorten |
| verkortte | verleden tijd | verkorten |
| verkortten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | verkorten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verkorten zijn vastgelegd.