Naar de inhoud

inkorten

Iets korter maken. Iets kleiner maken.

inkorten

werkwoord

Betekenis

  1. Iets korter maken. Iets kleiner maken.

Vervoeging van inkorten

inkortenhele werkwoord — kortte inverleden tijd enkelvoud — kortten inverleden tijd meervoud — ingekortvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik kort in kortte in
jij kort in kortte in
hij, zij, het kort in kortte in
wij korten in kortten in
jullie korten in kortten in
zij korten in kortten in
Alle 144 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben ingekort voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent ingekort voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is ingekort impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was ingekort impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd ingekort impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt ingekort impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal ingekort worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal ingekort zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou ingekort worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou ingekort zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had ingekort voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had ingekort voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had ingekort voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden ingekort voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden ingekort voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden ingekort voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt ingekort voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb ingekort voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben ingekort actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben ingekort voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben ingekort voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben ingekort voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt ingekort voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft ingekort voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft ingekort voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
in te korten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
in te zullen korten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
in zal korten bijzin, toekomende tijd
in zou korten bijzin, voorwaardelijk
in zouden korten bijzin, voorwaardelijk
in zoudt korten bijzin, voorwaardelijk
in zullen korten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
in zullen korten bijzin, toekomende tijd
in zult korten bijzin, toekomende tijd
ingekort verleden tijd, deelwoord
ingekort te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
ingekort te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
ingekort te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
ingekort te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
ingekort te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
ingekort worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
ingekort zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
ingekort zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
ingekort zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
ingekort zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
inkort bijzin, tegenwoordige tijd
inkortend onvoltooid, deelwoord
inkortte bijzin, verleden tijd
inkortten bijzin, verleden tijd
is ingekort voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is ingekort voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
kort in gebiedende wijs
kortte in verleden tijd
te hebben ingekort actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen inkorten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart ingekort voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren ingekort voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren ingekort voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren ingekort voltooid, verleden tijd, derde persoon
was ingekort voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was ingekort voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was ingekort voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd ingekort enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd ingekort enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd ingekort enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden ingekort enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden ingekort enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden ingekort enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt ingekort enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word ingekort enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden ingekort enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden ingekort enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden ingekort enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt ingekort enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt ingekort enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal ingekort hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal ingekort hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal ingekort hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal ingekort worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal ingekort worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal ingekort zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal ingekort zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal inkorten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal inkorten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal inkorten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal inkorten bijzin, toekomende tijd
zijn ingekort voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn ingekort voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn ingekort voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt ingekort voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou ingekort hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou ingekort hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou ingekort hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou ingekort worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou ingekort worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou ingekort worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou ingekort zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou ingekort zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou ingekort zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou inkorten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou inkorten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou inkorten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou inkorten bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) inkorten in zou(dt) korten bijzin, voorwaardelijk
zouden ingekort hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden ingekort hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden ingekort hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden ingekort worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden ingekort worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden ingekort worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden ingekort zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden ingekort zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden ingekort zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden inkorten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden inkorten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden inkorten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden inkorten bijzin, voorwaardelijk
zoudt ingekort hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt ingekort worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt ingekort zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt inkorten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt inkorten bijzin, voorwaardelijk
zullen ingekort hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen ingekort hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen ingekort hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen ingekort worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen ingekort worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen ingekort worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen ingekort zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen ingekort zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen ingekort zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen inkorten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen inkorten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen inkorten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen inkorten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen inkorten bijzin, toekomende tijd
zult ingekort hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult ingekort worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van in en korten

Woordfamilie van inkorten

Woordvorm Relatie Afgeleid van
ingekort voltooid deelwoord inkorten
ingekorte woordvorm inkorten
inkort subordinate-clause, tegenwoordige tijd inkorten
inkorte with-subordinate-clause inkorten
inkortend onvoltooid deelwoord inkorten
inkortende woordvorm inkorten
inkortte subordinate-clause, verleden tijd inkorten
inkortten subordinate-clause, verleden tijd inkorten
kort in gebiedende wijs inkorten
korte in woordvorm inkorten
korten in aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon inkorten
kortte in verleden tijd inkorten
kortten in aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon inkorten

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van inkorten zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over inkorten

Wat is de betekenis van inkorten?
Inkorten is een werkwoord. De betekenis is: Iets korter maken. Iets kleiner maken.
Hoe vervoeg ik inkorten?
Zo vervoeg je inkorten zo: het voltooid deelwoord is ingekort. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord inkorten is 12 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. I 1
  2. N 1
  3. K 3
  4. O 1
  5. R 2
  6. T 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 12 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

inkorten levert met Wordfeud minimaal 13 en maximaal 57 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. I 2
  2. N 1
  3. K 3
  4. O 1
  5. R 2
  6. T 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 13 zonder bonus
  10. 57 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (K) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

inkorten in het kort

inkorten staat in dit woordenboek als werkwoord. Van inkorten staan er 86 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort inkorten bij een woordfamilie van 13 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

inkorten: Iets korter maken. Iets kleiner maken.
Deel inkorten — standaardnederlands.nl