inkorten
werkwoordBetekenis
- Iets korter maken. Iets kleiner maken.
Vervoeging van inkorten
inkortenhele werkwoord — kortte inverleden tijd enkelvoud — kortten inverleden tijd meervoud — ingekortvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | kort in | kortte in |
| jij | kort in | kortte in |
| hij, zij, het | kort in | kortte in |
| wij | korten in | kortten in |
| jullie | korten in | kortten in |
| zij | korten in | kortten in |
Alle 144 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben ingekort | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent ingekort | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is ingekort | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was ingekort | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd ingekort | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt ingekort | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal ingekort worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal ingekort zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou ingekort worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou ingekort zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had ingekort | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had ingekort | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had ingekort | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden ingekort | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden ingekort | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden ingekort | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt ingekort | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb ingekort | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ingekort | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben ingekort | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ingekort | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben ingekort | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt ingekort | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ingekort | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ingekort | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| in te korten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| in te zullen korten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| in zal korten | bijzin, toekomende tijd |
| in zou korten | bijzin, voorwaardelijk |
| in zouden korten | bijzin, voorwaardelijk |
| in zoudt korten | bijzin, voorwaardelijk |
| in zullen korten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| in zullen korten | bijzin, toekomende tijd |
| in zult korten | bijzin, toekomende tijd |
| ingekort | verleden tijd, deelwoord |
| ingekort te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| ingekort te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| ingekort te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ingekort te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ingekort te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ingekort worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| ingekort zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| ingekort zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ingekort zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ingekort zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| inkort | bijzin, tegenwoordige tijd |
| inkortend | onvoltooid, deelwoord |
| inkortte | bijzin, verleden tijd |
| inkortten | bijzin, verleden tijd |
| is ingekort | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is ingekort | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| kort in | gebiedende wijs |
| kortte in | verleden tijd |
| te hebben ingekort | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen inkorten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart ingekort | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ingekort | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren ingekort | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ingekort | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was ingekort | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was ingekort | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was ingekort | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd ingekort | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd ingekort | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd ingekort | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden ingekort | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden ingekort | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden ingekort | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt ingekort | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word ingekort | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden ingekort | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden ingekort | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden ingekort | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt ingekort | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt ingekort | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal ingekort hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ingekort hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal ingekort hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal ingekort worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ingekort worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal ingekort zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ingekort zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal inkorten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal inkorten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal inkorten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal inkorten | bijzin, toekomende tijd |
| zijn ingekort | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn ingekort | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn ingekort | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt ingekort | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou ingekort hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ingekort hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ingekort hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou ingekort worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ingekort worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou ingekort worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ingekort zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ingekort zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ingekort zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou inkorten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou inkorten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou inkorten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou inkorten | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) inkorten in zou(dt) korten | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden ingekort hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ingekort hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ingekort hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ingekort worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ingekort worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ingekort worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ingekort zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ingekort zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ingekort zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden inkorten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden inkorten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden inkorten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden inkorten | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt ingekort hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ingekort worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ingekort zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt inkorten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt inkorten | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen ingekort hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ingekort hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ingekort hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ingekort worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ingekort worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ingekort worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ingekort zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ingekort zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ingekort zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen inkorten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen inkorten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen inkorten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen inkorten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen inkorten | bijzin, toekomende tijd |
| zult ingekort hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult ingekort worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van in en korten
Woordfamilie van inkorten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ingekort | voltooid deelwoord | inkorten |
| ingekorte | woordvorm | inkorten |
| inkort | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | inkorten |
| inkorte | with-subordinate-clause | inkorten |
| inkortend | onvoltooid deelwoord | inkorten |
| inkortende | woordvorm | inkorten |
| inkortte | subordinate-clause, verleden tijd | inkorten |
| inkortten | subordinate-clause, verleden tijd | inkorten |
| kort in | gebiedende wijs | inkorten |
| korte in | woordvorm | inkorten |
| korten in | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | inkorten |
| kortte in | verleden tijd | inkorten |
| kortten in | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | inkorten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van inkorten zijn vastgelegd.