verkeren
werkwoordBetekenis
- in een toestand zijn
- omgang en/of een amoureuze band hebben
- (17e eeuws) ~in, veranderen, omkeren
werkwoord
- ~in, veranderen [3], overgaan van de ene toestand naar de andere ergative, obsolete
Vervoeging van verkeren
verkerenhele werkwoord — verkeerdeverleden tijd enkelvoud — verkeerdenverleden tijd meervoud — verkeerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | verkeer | verkeerde |
| jij | verkeert | verkeerde |
| hij, zij, het | verkeert | verkeerde |
| wij | verkeren | verkeerden |
| jullie | verkeren | verkeerden |
| zij | verkeren | verkeerden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is verkeerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was verkeerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd verkeerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt verkeerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal verkeerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal verkeerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou verkeerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou verkeerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had verkeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had verkeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had verkeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden verkeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden verkeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden verkeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt verkeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb verkeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verkeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben verkeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verkeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben verkeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt verkeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verkeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verkeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben verkeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te verkeren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen verkeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verkeer | gebiedende wijs |
| verkeerd | verleden tijd, deelwoord |
| verkeerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verkeerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verkeerde | verleden tijd |
| verkere | aanvoegende wijs |
| verkerend | onvoltooid, deelwoord |
| zal verkeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verkeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal verkeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verkeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal verkeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal verkeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou verkeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verkeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verkeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verkeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou verkeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou verkeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden verkeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verkeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verkeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verkeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verkeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verkeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt verkeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verkeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen verkeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verkeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verkeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verkeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen verkeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verkeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verkeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult verkeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verkeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van keren met het voorvoegsel ver-
Woordfamilie van verkeren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| verkeerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | verkeren |
| verkeert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | verkeren |
| verkere | aanvoegende wijs | verkeren |
| verkerend | onvoltooid deelwoord | verkeren |
| verkerende | woordvorm | verkeren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verkeren zijn vastgelegd.