verwesteren
werkwoordBetekenis
- westers worden, gewoonten en opvattingen van de westerse cultuur aannemen
werkwoord
- westers maken, iets of iemand aanpassen aan de westerse cultuur transitive
Vervoeging van verwesteren
verwesterenhele werkwoord — verwesterdeverleden tijd enkelvoud — verwesterdenverleden tijd meervoud — verwesterdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | verwester | verwesterde |
| jij | verwestert | verwesterde |
| hij, zij, het | verwestert | verwesterde |
| wij | verwesteren | verwesterden |
| jullie | verwesteren | verwesterden |
| zij | verwesteren | verwesterden |
Alle 56 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben verwesterd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent verwesterd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| is verwesterd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is verwesterd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te verwesteren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zijn verwesterd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen verwesteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verwester | gebiedende wijs |
| verwesterd | verleden tijd, deelwoord |
| verwesterd te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verwesterd zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verwesterde | verleden tijd |
| verwestere | aanvoegende wijs |
| verwesterend | onvoltooid, deelwoord |
| waart verwesterd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verwesterd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren verwesterd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verwesterd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was verwesterd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was verwesterd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was verwesterd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal verwesterd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verwesterd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal verwesterd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verwesteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal verwesteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal verwesteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn verwesterd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn verwesterd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn verwesterd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn verwesterd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt verwesterd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou verwesterd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verwesterd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verwesterd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verwesteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou verwesteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou verwesteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden verwesterd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verwesterd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verwesterd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verwesteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verwesteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verwesteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt verwesterd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verwesteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen verwesterd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verwesterd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verwesterd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verwesteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen verwesteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verwesteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verwesteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult verwesterd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verwesteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Afgeleid van westers met het voorvoegsel ver-.
Woordfamilie van verwesteren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| verwester | gebiedende wijs | verwesteren |
| verwesterd | voltooid deelwoord | verwesteren |
| verwesterde | verleden tijd | verwesteren |
| verwesterden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | verwesteren |
| verwestere | aanvoegende wijs | verwesteren |
| verwesterend | onvoltooid deelwoord | verwesteren |
| verwesterende | woordvorm | verwesteren |
| verwestert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | verwesteren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verwesteren zijn vastgelegd.