verhevigen
werkwoordBetekenis
- heviger maken
- heviger worden
Vervoeging van verhevigen
verhevigenhele werkwoord — verhevigdeverleden tijd enkelvoud — verhevigdenverleden tijd meervoud — verhevigdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | verhevig | verhevigde |
| jij | verhevigt | verhevigde |
| hij, zij, het | verhevigt | verhevigde |
| wij | verhevigen | verhevigden |
| jullie | verhevigen | verhevigden |
| zij | verhevigen | verhevigden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben verhevigd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent verhevigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is verhevigd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was verhevigd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd verhevigd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt verhevigd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal verhevigd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal verhevigd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou verhevigd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou verhevigd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had verhevigd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had verhevigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had verhevigd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden verhevigd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden verhevigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden verhevigd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt verhevigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb verhevigd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verhevigd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben verhevigd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verhevigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben verhevigd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt verhevigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verhevigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verhevigd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is verhevigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is verhevigd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben verhevigd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te verhevigen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen verhevigen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verhevig | gebiedende wijs |
| verhevigd | verleden tijd, deelwoord |
| verhevigd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verhevigd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verhevigd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verhevigd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verhevigd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verhevigd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verhevigd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verhevigd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verhevigd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verhevigd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verhevigde | verleden tijd |
| verhevige | aanvoegende wijs |
| verhevigend | onvoltooid, deelwoord |
| waart verhevigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verhevigd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren verhevigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verhevigd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was verhevigd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was verhevigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was verhevigd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd verhevigd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd verhevigd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd verhevigd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden verhevigd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden verhevigd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden verhevigd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt verhevigd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word verhevigd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden verhevigd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden verhevigd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden verhevigd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt verhevigd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt verhevigd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal verhevigd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verhevigd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal verhevigd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verhevigd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verhevigd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal verhevigd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verhevigd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verhevigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal verhevigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal verhevigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn verhevigd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn verhevigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn verhevigd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt verhevigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou verhevigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verhevigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verhevigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verhevigd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verhevigd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou verhevigd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verhevigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verhevigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verhevigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verhevigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou verhevigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou verhevigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden verhevigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verhevigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verhevigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verhevigd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verhevigd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verhevigd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verhevigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verhevigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verhevigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verhevigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verhevigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verhevigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt verhevigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verhevigd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verhevigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verhevigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen verhevigd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verhevigd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verhevigd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verhevigd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verhevigd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verhevigd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verhevigd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verhevigd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verhevigd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verhevigen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen verhevigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verhevigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verhevigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult verhevigd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verhevigd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verhevigd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verhevigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van hevig met het voorvoegsel ver- en met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van verhevigen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| verhevig | gebiedende wijs | verhevigen |
| verhevigd | voltooid deelwoord | verhevigen |
| verhevigde | verleden tijd | verhevigen |
| verhevigden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | verhevigen |
| verhevige | aanvoegende wijs | verhevigen |
| verhevigend | onvoltooid deelwoord | verhevigen |
| verhevigende | woordvorm | verhevigen |
| verhevigt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | verhevigen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verhevigen zijn vastgelegd.