verheerlijken
werkwoordBetekenis
- loven, prijzen, vereren
Vervoeging van verheerlijken
verheerlijkenhele werkwoord — verheerlijkteverleden tijd enkelvoud — verheerlijktenverleden tijd meervoud — verheerlijktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | verheerlijk | verheerlijkte |
| jij | verheerlijkt | verheerlijkte |
| hij, zij, het | verheerlijkt | verheerlijkte |
| wij | verheerlijken | verheerlijkten |
| jullie | verheerlijken | verheerlijkten |
| zij | verheerlijken | verheerlijkten |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben verheerlijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent verheerlijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is verheerlijkt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was verheerlijkt | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd verheerlijkt | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt verheerlijkt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal verheerlijkt worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal verheerlijkt zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou verheerlijkt worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou verheerlijkt zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had verheerlijkt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had verheerlijkt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had verheerlijkt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden verheerlijkt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden verheerlijkt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden verheerlijkt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt verheerlijkt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb verheerlijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verheerlijkt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben verheerlijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verheerlijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben verheerlijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt verheerlijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verheerlijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verheerlijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is verheerlijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is verheerlijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben verheerlijkt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te verheerlijken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen verheerlijken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verheerlijk | gebiedende wijs |
| verheerlijke | aanvoegende wijs |
| verheerlijkend | onvoltooid, deelwoord |
| verheerlijkt | verleden tijd, deelwoord |
| verheerlijkt te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verheerlijkt te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verheerlijkt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verheerlijkt te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verheerlijkt te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verheerlijkt worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verheerlijkt zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verheerlijkt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verheerlijkt zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verheerlijkt zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verheerlijkte | verleden tijd |
| waart verheerlijkt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verheerlijkt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren verheerlijkt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verheerlijkt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was verheerlijkt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was verheerlijkt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was verheerlijkt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd verheerlijkt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd verheerlijkt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd verheerlijkt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden verheerlijkt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden verheerlijkt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden verheerlijkt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt verheerlijkt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word verheerlijkt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden verheerlijkt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden verheerlijkt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden verheerlijkt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt verheerlijkt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt verheerlijkt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal verheerlijken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal verheerlijken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal verheerlijken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal verheerlijkt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verheerlijkt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal verheerlijkt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verheerlijkt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verheerlijkt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal verheerlijkt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verheerlijkt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn verheerlijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn verheerlijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn verheerlijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt verheerlijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou verheerlijken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou verheerlijken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou verheerlijken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou verheerlijkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verheerlijkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verheerlijkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verheerlijkt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verheerlijkt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou verheerlijkt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verheerlijkt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verheerlijkt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verheerlijkt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verheerlijken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verheerlijken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verheerlijken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden verheerlijkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verheerlijkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verheerlijkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verheerlijkt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verheerlijkt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verheerlijkt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verheerlijkt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verheerlijkt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verheerlijkt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt verheerlijken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt verheerlijkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verheerlijkt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verheerlijkt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen verheerlijken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen verheerlijken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verheerlijken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verheerlijken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen verheerlijkt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verheerlijkt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verheerlijkt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verheerlijkt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verheerlijkt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verheerlijkt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verheerlijkt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verheerlijkt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verheerlijkt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult verheerlijken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult verheerlijkt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verheerlijkt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verheerlijkt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Afgeleid van heerlijk met het voorvoegsel ver-
Woordfamilie van verheerlijken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| verheerlijk | gebiedende wijs | verheerlijken |
| verheerlijke | aanvoegende wijs | verheerlijken |
| verheerlijkend | onvoltooid deelwoord | verheerlijken |
| verheerlijkende | woordvorm | verheerlijken |
| verheerlijkt | voltooid deelwoord | verheerlijken |
| verheerlijkte | verleden tijd | verheerlijken |
| verheerlijkten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | verheerlijken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verheerlijken zijn vastgelegd.