vergezellen
werkwoordBetekenis
- met iemand meegaan
- met iets meegaan
Vervoeging van vergezellen
vergezellenhele werkwoord — vergezeldeverleden tijd enkelvoud — vergezeldenverleden tijd meervoud — vergezeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | vergezel | vergezelde |
| jij | vergezelt | vergezelde |
| hij, zij, het | vergezelt | vergezelde |
| wij | vergezellen | vergezelden |
| jullie | vergezellen | vergezelden |
| zij | vergezellen | vergezelden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben vergezeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent vergezeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is vergezeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was vergezeld | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd vergezeld | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt vergezeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal vergezeld worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal vergezeld zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou vergezeld worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou vergezeld zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had vergezeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had vergezeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had vergezeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden vergezeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden vergezeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden vergezeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt vergezeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb vergezeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben vergezeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben vergezeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben vergezeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben vergezeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt vergezeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft vergezeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft vergezeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is vergezeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is vergezeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben vergezeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te vergezellen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen vergezellen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vergezel | gebiedende wijs |
| vergezeld | verleden tijd, deelwoord |
| vergezeld te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| vergezeld te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| vergezeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vergezeld te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vergezeld te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vergezeld worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| vergezeld zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| vergezeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vergezeld zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vergezeld zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vergezelde | verleden tijd |
| vergezelle | aanvoegende wijs |
| vergezellend | onvoltooid, deelwoord |
| waart vergezeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren vergezeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren vergezeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren vergezeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was vergezeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was vergezeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was vergezeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd vergezeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd vergezeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd vergezeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden vergezeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden vergezeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden vergezeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt vergezeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word vergezeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden vergezeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden vergezeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden vergezeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt vergezeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt vergezeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal vergezeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal vergezeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal vergezeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal vergezeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal vergezeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal vergezeld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal vergezeld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal vergezellen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal vergezellen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal vergezellen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn vergezeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn vergezeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn vergezeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt vergezeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou vergezeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou vergezeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou vergezeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou vergezeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou vergezeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou vergezeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou vergezeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou vergezeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou vergezeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou vergezellen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou vergezellen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou vergezellen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden vergezeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden vergezeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden vergezeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vergezeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden vergezeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden vergezeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vergezeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden vergezeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden vergezeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vergezellen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden vergezellen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden vergezellen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt vergezeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vergezeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vergezeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vergezellen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen vergezeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen vergezeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen vergezeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen vergezeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen vergezeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen vergezeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen vergezeld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen vergezeld zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen vergezeld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen vergezellen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen vergezellen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen vergezellen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen vergezellen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult vergezeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult vergezeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult vergezeld zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult vergezellen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van gezel met het voorvoegsel ver- en met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van vergezellen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| vergezel | gebiedende wijs | vergezellen |
| vergezeld | voltooid deelwoord | vergezellen |
| vergezelde | verleden tijd | vergezellen |
| vergezelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | vergezellen |
| vergezelle | aanvoegende wijs | vergezellen |
| vergezellend | onvoltooid deelwoord | vergezellen |
| vergezellende | woordvorm | vergezellen |
| vergezelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | vergezellen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vergezellen zijn vastgelegd.