Naar de inhoud

vergewissen

zich ~ van: zekerheid over iets pogen te verkrijgen

vergewissen

werkwoord

Betekenis

  1. zich ~ van: zekerheid over iets pogen te verkrijgen

Vervoeging van vergewissen

vergewissenhele werkwoord — vergewisteverleden tijd enkelvoud — vergewistenverleden tijd meervoud — vergewistvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik vergewis vergewiste
jij vergewist vergewiste
hij, zij, het vergewist vergewiste
wij vergewissen vergewisten
jullie vergewissen vergewisten
zij vergewissen vergewisten
Alle 89 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
had vergewist voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had vergewist voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had vergewist voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden vergewist voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden vergewist voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden vergewist voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt vergewist voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb vergewist voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben vergewist actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben vergewist voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben vergewist voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben vergewist voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt vergewist voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft vergewist voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft vergewist voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben vergewist actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te vergewissen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen vergewissen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
vergewis gebiedende wijs
vergewis me eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
vergewis u/je , vergewist je gebiedende wijs
vergewisse aanvoegende wijs
vergewisse zich aanvoegende wijs
vergewissen je tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
vergewissen ons eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
vergewissen zich derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
vergewissend onvoltooid, deelwoord
vergewist verleden tijd, deelwoord
vergewist je tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
vergewist te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
vergewist u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
vergewist u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
vergewist zich derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
vergewist zich/u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
vergewist zich/u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
vergewist zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
vergewiste verleden tijd
vergewiste je tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
vergewiste me eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud
vergewiste u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
vergewiste u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
vergewiste zich derde persoon, verleden tijd, enkelvoud
vergewiste zich/u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
vergewiste zich/u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
vergewisten je tweede persoon, verleden tijd, meervoud
vergewisten ons eerste persoon, verleden tijd, meervoud
vergewisten zich derde persoon, verleden tijd, meervoud
zal me vergewissen eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal vergewissen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal vergewissen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal vergewissen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal vergewist hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal vergewist hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal vergewist hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal zich vergewissen derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal, zult je vergewissen tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zich vergewissend onvoltooid, deelwoord
zich vergewist hebben verleden tijd
zou vergewissen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou vergewissen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou vergewissen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou vergewist hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou vergewist hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou vergewist hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden vergewissen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden vergewissen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden vergewissen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden vergewist hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden vergewist hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden vergewist hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt vergewissen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt vergewist hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen je vergewissen tweede persoon, toekomende tijd, meervoud
zullen ons vergewissen eerste persoon, toekomende tijd, meervoud
zullen vergewissen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen vergewissen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen vergewissen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen vergewissen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen vergewist hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen vergewist hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen vergewist hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen zich vergewissen derde persoon, toekomende tijd, meervoud
zult u vergewissen tweede persoon
zult u vergewissen tweede persoon, toekomende tijd, meervoud
zult vergewissen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult vergewist hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult zich/u vergewissen tweede persoon
zult zich/u vergewissen tweede persoon, toekomende tijd, meervoud

Herkomst

afgeleid van gewis met het voorvoegsel ver- en met het achtervoegsel -en

Woordfamilie van vergewissen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
vergewis gebiedende wijs vergewissen
vergewisse aanvoegende wijs vergewissen
vergewissend onvoltooid deelwoord vergewissen
vergewissende woordvorm vergewissen
vergewist voltooid deelwoord vergewissen
vergewiste verleden tijd vergewissen
vergewisten aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon vergewissen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vergewissen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over vergewissen

Wat betekent vergewissen?
Vergewissen is een werkwoord. Het woord betekent: zich ~ van: zekerheid over iets pogen te verkrijgen.
Hoe vervoeg je vergewissen?
Je vervoegt vergewissen als volgt: de tegenwoordige tijd is vergewis, de verleden tijd is vergewiste en het voltooid deelwoord is vergewist. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord vergewissen is 23 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. V 4
  2. E 1
  3. R 2
  4. G 3
  5. E 1
  6. W 5
  7. I 1
  8. S 2
  9. S 2
  10. E 1
  11. N 1
  12. 23 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

vergewissen levert met Wordfeud minimaal 24 en maximaal 102 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. V 4
  2. E 1
  3. R 2
  4. G 3
  5. E 1
  6. W 5
  7. I 2
  8. S 2
  9. S 2
  10. E 1
  11. N 1
  12. 24 zonder bonus
  13. 102 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (W) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

vergewissen in het kort

vergewissen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van vergewissen zijn 59 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort vergewissen bij een woordfamilie van 7 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

vergewissen: zich ~ van: zekerheid over iets pogen te verkrijgen
Deel vergewissen — standaardnederlands.nl