verfransen
werkwoordBetekenis
- Franstalig maken
- Franstalig worden
Vervoeging van verfransen
verfransenhele werkwoord — verfransteverleden tijd enkelvoud — verfranstenverleden tijd meervoud — verfranstvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | verfrans | verfranste |
| jij | verfranst | verfranste |
| hij, zij, het | verfranst | verfranste |
| wij | verfransen | verfransten |
| jullie | verfransen | verfransten |
| zij | verfransen | verfransten |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had verfranst | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had verfranst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had verfranst | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden verfranst | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden verfranst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden verfranst | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt verfranst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb verfranst | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verfranst | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben verfranst | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verfranst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben verfranst | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt verfranst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verfranst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verfranst | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben verfranst | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te verfransen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen verfransen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verfrans | gebiedende wijs |
| verfranse | aanvoegende wijs |
| verfransend | onvoltooid, deelwoord |
| verfranst | verleden tijd, deelwoord |
| verfranst te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verfranst zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verfranste | verleden tijd |
| zal verfransen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal verfransen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal verfransen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal verfranst hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verfranst hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal verfranst hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou verfransen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou verfransen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou verfransen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou verfranst hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verfranst hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verfranst hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verfransen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verfransen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verfransen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden verfranst hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verfranst hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verfranst hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt verfransen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt verfranst hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen verfransen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen verfransen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verfransen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verfransen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen verfranst hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verfranst hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verfranst hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult verfransen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult verfranst hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Afgeleid van Frans met met het voorvoegsel ver- en met het achtervoegsel -en.
Woordfamilie van verfransen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| verfrans | gebiedende wijs | verfransen |
| verfranse | aanvoegende wijs | verfransen |
| verfransend | onvoltooid deelwoord | verfransen |
| verfransende | woordvorm | verfransen |
| verfranst | voltooid deelwoord | verfransen |
| verfranste | verleden tijd | verfransen |
| verfransten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | verfransen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verfransen zijn vastgelegd.