verdichten
werkwoordBetekenis
- (o.a. van dampen en gassen:) dichter worden
- (dampen en gassen:) dichter maken
- zich ~: (van dampen en gassen:) dichter worden
werkwoord
- dichter worden ergative
- dichter maken transitive
- op een kunstzinnige wijze uitdenken, verzinnen transitive
Vervoeging van verdichten
verdichtenhele werkwoord — verdichtteverleden tijd enkelvoud — verdichttenverleden tijd meervoud — verdichtvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | verdicht | verdichtte |
| jij | verdicht | verdichtte |
| hij, zij, het | verdicht | verdichtte |
| wij | verdichten | verdichtten |
| jullie | verdichten | verdichtten |
| zij | verdichten | verdichtten |
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben verdicht | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent verdicht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is verdicht | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was verdicht | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd verdicht | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt verdicht | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal verdicht worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal verdicht zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou verdicht worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou verdicht zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had verdicht | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had verdicht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had verdicht | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden verdicht | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden verdicht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden verdicht | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt verdicht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb verdicht | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verdicht | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben verdicht | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verdicht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben verdicht | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt verdicht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verdicht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verdicht | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is verdicht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is verdicht | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben verdicht | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te verdichten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen verdichten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verdicht | gebiedende wijs |
| verdicht | verleden tijd, deelwoord |
| verdicht je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| verdicht me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| verdicht te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verdicht te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verdicht te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verdicht te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verdicht te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verdicht u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verdicht u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verdicht u/je , verdicht je | gebiedende wijs |
| verdicht worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verdicht zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| verdicht zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verdicht zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verdicht zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verdicht zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verdicht zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verdicht zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verdichte | aanvoegende wijs |
| verdichte zich | aanvoegende wijs |
| verdichten je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verdichten ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verdichten zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verdichtend | onvoltooid, deelwoord |
| verdichtte | verleden tijd |
| verdichtte je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verdichtte me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verdichtte u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| verdichtte u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| verdichtte zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verdichtte zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| verdichtte zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| verdichtten je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| verdichtten ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| verdichtten zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| waart verdicht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verdicht | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren verdicht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verdicht | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was verdicht | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was verdicht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was verdicht | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd verdicht | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd verdicht | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd verdicht | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden verdicht | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden verdicht | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden verdicht | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt verdicht | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word verdicht | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden verdicht | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden verdicht | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden verdicht | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt verdicht | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt verdicht | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal me verdichten | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal verdicht hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verdicht hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal verdicht hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verdicht worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verdicht worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal verdicht zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verdicht zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verdichten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal verdichten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal verdichten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal zich verdichten | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je verdichten | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich verdicht hebben | verleden tijd |
| zich verdichtend | onvoltooid, deelwoord |
| zijn verdicht | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn verdicht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn verdicht | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt verdicht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou verdicht hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verdicht hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verdicht hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verdicht worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verdicht worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou verdicht worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verdicht zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verdicht zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verdicht zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verdichten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou verdichten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou verdichten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden verdicht hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verdicht hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verdicht hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verdicht worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verdicht worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verdicht worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verdicht zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verdicht zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verdicht zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verdichten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verdichten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verdichten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt verdicht hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verdicht worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verdicht zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verdichten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen je verdichten | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen ons verdichten | eerste persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen verdicht hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verdicht hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van dichten met het voorvoegsel ver-
Woordfamilie van verdichten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| verdicht | voltooid deelwoord | verdichten |
| verdichte | aanvoegende wijs | verdichten |
| verdichtend | onvoltooid deelwoord | verdichten |
| verdichtende | woordvorm | verdichten |
| verdichtte | verleden tijd | verdichten |
| verdichtten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | verdichten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verdichten zijn vastgelegd.