Naar de inhoud

verdichten

(o.a. van dampen en gassen:) dichter worden

verdichten

werkwoord

Betekenis

  1. (o.a. van dampen en gassen:) dichter worden
  2. (dampen en gassen:) dichter maken
  3. zich ~: (van dampen en gassen:) dichter worden

werkwoord

  1. dichter worden ergative
  2. dichter maken transitive
  3. op een kunstzinnige wijze uitdenken, verzinnen transitive

Vervoeging van verdichten

verdichtenhele werkwoord — verdichtteverleden tijd enkelvoud — verdichttenverleden tijd meervoud — verdichtvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik verdicht verdichtte
jij verdicht verdichtte
hij, zij, het verdicht verdichtte
wij verdichten verdichtten
jullie verdichten verdichtten
zij verdichten verdichtten
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben verdicht voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent verdicht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is verdicht impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was verdicht impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd verdicht impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt verdicht impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal verdicht worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal verdicht zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou verdicht worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou verdicht zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had verdicht voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had verdicht voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had verdicht voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden verdicht voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden verdicht voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden verdicht voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt verdicht voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb verdicht voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben verdicht actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben verdicht voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben verdicht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben verdicht voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt verdicht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft verdicht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft verdicht voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is verdicht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is verdicht voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben verdicht actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te verdichten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen verdichten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
verdicht gebiedende wijs
verdicht verleden tijd, deelwoord
verdicht je tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
verdicht me eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
verdicht te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
verdicht te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
verdicht te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
verdicht te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
verdicht te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
verdicht u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
verdicht u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
verdicht u/je , verdicht je gebiedende wijs
verdicht worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
verdicht zich derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
verdicht zich/u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
verdicht zich/u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
verdicht zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
verdicht zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
verdicht zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
verdicht zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
verdichte aanvoegende wijs
verdichte zich aanvoegende wijs
verdichten je tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
verdichten ons eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
verdichten zich derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
verdichtend onvoltooid, deelwoord
verdichtte verleden tijd
verdichtte je tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
verdichtte me eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud
verdichtte u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
verdichtte u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
verdichtte zich derde persoon, verleden tijd, enkelvoud
verdichtte zich/u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
verdichtte zich/u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
verdichtten je tweede persoon, verleden tijd, meervoud
verdichtten ons eerste persoon, verleden tijd, meervoud
verdichtten zich derde persoon, verleden tijd, meervoud
waart verdicht voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren verdicht voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren verdicht voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren verdicht voltooid, verleden tijd, derde persoon
was verdicht voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was verdicht voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was verdicht voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd verdicht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd verdicht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd verdicht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden verdicht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden verdicht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden verdicht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt verdicht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word verdicht enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden verdicht enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden verdicht enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden verdicht enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt verdicht enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt verdicht enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal me verdichten eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal verdicht hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal verdicht hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal verdicht hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal verdicht worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal verdicht worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal verdicht zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal verdicht zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal verdichten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal verdichten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal verdichten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal zich verdichten derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal, zult je verdichten tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zich verdicht hebben verleden tijd
zich verdichtend onvoltooid, deelwoord
zijn verdicht voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn verdicht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn verdicht voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt verdicht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou verdicht hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou verdicht hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou verdicht hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou verdicht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou verdicht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou verdicht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou verdicht zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou verdicht zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou verdicht zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou verdichten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou verdichten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou verdichten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden verdicht hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden verdicht hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden verdicht hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden verdicht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden verdicht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden verdicht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden verdicht zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden verdicht zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden verdicht zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden verdichten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden verdichten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden verdichten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt verdicht hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt verdicht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt verdicht zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt verdichten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen je verdichten tweede persoon, toekomende tijd, meervoud
zullen ons verdichten eerste persoon, toekomende tijd, meervoud
zullen verdicht hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen verdicht hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

afgeleid van dichten met het voorvoegsel ver-

Woordfamilie van verdichten

Woordvorm Relatie Afgeleid van
verdicht voltooid deelwoord verdichten
verdichte aanvoegende wijs verdichten
verdichtend onvoltooid deelwoord verdichten
verdichtende woordvorm verdichten
verdichtte verleden tijd verdichten
verdichtten aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon verdichten

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verdichten zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over verdichten

Wat is de betekenis van verdichten?
Verdichten is een werkwoord. De betekenis is: (o.a. van dampen en gassen:) dichter worden. In totaal staan er 6 betekenissen.
Hoe vervoeg ik verdichten?
Zo vervoeg je verdichten zo: de tegenwoordige tijd is verdicht, de verleden tijd is verdichtte en het voltooid deelwoord is verdicht. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord verdichten is 23 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. V 4
  2. E 1
  3. R 2
  4. D 2
  5. I 1
  6. C 5
  7. H 4
  8. T 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 23 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

verdichten levert met Wordfeud minimaal 24 en maximaal 102 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. V 4
  2. E 1
  3. R 2
  4. D 2
  5. I 2
  6. C 5
  7. H 4
  8. T 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 24 zonder bonus
  12. 102 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

verdichten in het kort

verdichten staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 6 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van verdichten staan er 101 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort verdichten bij een woordfamilie van 6 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

verdichten: (o.a. van dampen en gassen:) dichter worden
Deel verdichten — standaardnederlands.nl