verbijsteren
werkwoordBetekenis
- in verwarring of extreme verbazing brengen
Vervoeging van verbijsteren
verbijsterenhele werkwoord — verbijsterdeverleden tijd enkelvoud — verbijsterdenverleden tijd meervoud — verbijsterdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | verbijster | verbijsterde |
| jij | verbijstert | verbijsterde |
| hij, zij, het | verbijstert | verbijsterde |
| wij | verbijsteren | verbijsterden |
| jullie | verbijsteren | verbijsterden |
| zij | verbijsteren | verbijsterden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben verbijsterd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent verbijsterd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is verbijsterd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was verbijsterd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd verbijsterd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt verbijsterd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal verbijsterd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal verbijsterd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou verbijsterd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou verbijsterd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had verbijsterd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had verbijsterd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had verbijsterd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden verbijsterd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden verbijsterd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden verbijsterd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt verbijsterd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb verbijsterd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verbijsterd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben verbijsterd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verbijsterd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben verbijsterd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt verbijsterd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verbijsterd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verbijsterd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is verbijsterd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is verbijsterd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben verbijsterd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te verbijsteren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen verbijsteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verbijster | gebiedende wijs |
| verbijsterd | verleden tijd, deelwoord |
| verbijsterd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verbijsterd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verbijsterd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verbijsterd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verbijsterd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verbijsterd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verbijsterd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verbijsterd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verbijsterd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verbijsterd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verbijsterde | verleden tijd |
| verbijstere | aanvoegende wijs |
| verbijsterend | onvoltooid, deelwoord |
| waart verbijsterd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verbijsterd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren verbijsterd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verbijsterd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was verbijsterd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was verbijsterd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was verbijsterd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd verbijsterd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd verbijsterd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd verbijsterd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden verbijsterd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden verbijsterd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden verbijsterd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt verbijsterd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word verbijsterd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden verbijsterd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden verbijsterd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden verbijsterd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt verbijsterd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt verbijsterd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal verbijsterd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verbijsterd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal verbijsterd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verbijsterd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verbijsterd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal verbijsterd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verbijsterd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verbijsteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal verbijsteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal verbijsteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn verbijsterd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn verbijsterd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn verbijsterd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt verbijsterd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou verbijsterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verbijsterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verbijsterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verbijsterd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verbijsterd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou verbijsterd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verbijsterd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verbijsterd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verbijsterd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verbijsteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou verbijsteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou verbijsteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden verbijsterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verbijsterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verbijsterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verbijsterd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verbijsterd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verbijsterd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verbijsterd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verbijsterd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verbijsterd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verbijsteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verbijsteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verbijsteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt verbijsterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verbijsterd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verbijsterd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verbijsteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen verbijsterd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verbijsterd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verbijsterd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verbijsterd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verbijsterd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verbijsterd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verbijsterd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verbijsterd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verbijsterd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verbijsteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen verbijsteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verbijsteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verbijsteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult verbijsterd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verbijsterd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verbijsterd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verbijsteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘verwarren’ voor het eerst aangetroffen in 1361
Woordfamilie van verbijsteren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| verbijster | gebiedende wijs | verbijsteren |
| verbijsterden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | verbijsteren |
| verbijstere | aanvoegende wijs | verbijsteren |
| verbijstert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | verbijsteren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verbijsteren zijn vastgelegd.