Naar de inhoud

verantwoorden

rechtvaardigen

verantwoorden

werkwoord

Betekenis

  1. rechtvaardigen
  2. zich ~: rekenschap afleggen, zich rechtvaardigen

Vervoeging van verantwoorden

verantwoordenhele werkwoord — verantwoorddeverleden tijd enkelvoud — verantwoorddenverleden tijd meervoud — verantwoordvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik verantwoord verantwoordde
jij verantwoordt verantwoordde
hij, zij, het verantwoordt verantwoordde
wij verantwoorden verantwoordden
jullie verantwoorden verantwoordden
zij verantwoorden verantwoordden
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben verantwoord voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent verantwoord voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is verantwoord impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was verantwoord impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd verantwoord impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt verantwoord impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal verantwoord worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal verantwoord zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou verantwoord worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou verantwoord zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had verantwoord voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had verantwoord voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had verantwoord voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden verantwoord voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden verantwoord voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden verantwoord voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt verantwoord voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb verantwoord voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben verantwoord actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben verantwoord voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben verantwoord voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben verantwoord voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt verantwoord voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft verantwoord voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft verantwoord voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is verantwoord voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is verantwoord voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben verantwoord actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te verantwoorden actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen verantwoorden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
verantwoord gebiedende wijs
verantwoord verleden tijd, deelwoord
verantwoord me eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
verantwoord te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
verantwoord te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
verantwoord te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
verantwoord te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
verantwoord te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
verantwoord u/je , verantwoordt je gebiedende wijs
verantwoord worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
verantwoord zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
verantwoord zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
verantwoord zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
verantwoord zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
verantwoordde verleden tijd
verantwoordde je tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
verantwoordde me eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud
verantwoordde u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
verantwoordde u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
verantwoordde zich derde persoon, verleden tijd, enkelvoud
verantwoordde zich/u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
verantwoordde zich/u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
verantwoordden je tweede persoon, verleden tijd, meervoud
verantwoordden ons eerste persoon, verleden tijd, meervoud
verantwoordden zich derde persoon, verleden tijd, meervoud
verantwoorde aanvoegende wijs
verantwoorde zich aanvoegende wijs
verantwoorden je tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
verantwoorden ons eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
verantwoorden zich derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
verantwoordend onvoltooid, deelwoord
verantwoordt je tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
verantwoordt u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
verantwoordt u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
verantwoordt zich derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
verantwoordt zich/u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
verantwoordt zich/u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
waart verantwoord voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren verantwoord voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren verantwoord voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren verantwoord voltooid, verleden tijd, derde persoon
was verantwoord voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was verantwoord voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was verantwoord voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd verantwoord enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd verantwoord enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd verantwoord enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden verantwoord enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden verantwoord enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden verantwoord enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt verantwoord enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word verantwoord enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden verantwoord enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden verantwoord enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden verantwoord enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt verantwoord enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt verantwoord enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal me verantwoorden eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal verantwoord hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal verantwoord hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal verantwoord hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal verantwoord worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal verantwoord worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal verantwoord zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal verantwoord zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal verantwoorden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal verantwoorden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal verantwoorden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal zich verantwoorden derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal, zult je verantwoorden tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zich verantwoord hebben verleden tijd
zich verantwoordend onvoltooid, deelwoord
zijn verantwoord voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn verantwoord voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn verantwoord voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt verantwoord voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou verantwoord hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou verantwoord hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou verantwoord hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou verantwoord worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou verantwoord worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou verantwoord worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou verantwoord zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou verantwoord zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou verantwoord zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou verantwoorden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou verantwoorden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou verantwoorden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden verantwoord hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden verantwoord hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden verantwoord hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden verantwoord worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden verantwoord worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden verantwoord worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden verantwoord zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden verantwoord zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden verantwoord zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden verantwoorden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden verantwoorden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden verantwoorden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt verantwoord hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt verantwoord worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt verantwoord zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt verantwoorden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen je verantwoorden tweede persoon, toekomende tijd, meervoud
zullen ons verantwoorden eerste persoon, toekomende tijd, meervoud
zullen verantwoord hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen verantwoord hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

afgeleid van antwoord met het voorvoegsel ver- en met het achtervoegsel -en

Woordfamilie van verantwoorden

Woordvorm Relatie Afgeleid van
verantwoordde verleden tijd verantwoorden
verantwoordden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon verantwoorden
verantwoordend onvoltooid deelwoord verantwoorden
verantwoordende woordvorm verantwoorden
verantwoordt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon verantwoorden

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verantwoorden zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over verantwoorden

Wat is de betekenis van verantwoorden?
Verantwoorden is een werkwoord. De betekenis is: rechtvaardigen. In totaal staan er 2 betekenissen.
Hoe vervoeg ik verantwoorden?
Zo vervoeg je verantwoorden zo: de tegenwoordige tijd is verantwoord, de verleden tijd is verantwoordde en het voltooid deelwoord is verantwoord. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord verantwoorden is 24 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. V 4
  2. E 1
  3. R 2
  4. A 1
  5. N 1
  6. T 2
  7. W 5
  8. O 1
  9. O 1
  10. R 2
  11. D 2
  12. E 1
  13. N 1
  14. 24 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

verantwoorden levert met Wordfeud minimaal 24 en maximaal 102 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. V 4
  2. E 1
  3. R 2
  4. A 1
  5. N 1
  6. T 2
  7. W 5
  8. O 1
  9. O 1
  10. R 2
  11. D 2
  12. E 1
  13. N 1
  14. 24 zonder bonus
  15. 102 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (W) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

verantwoorden in het kort

verantwoorden staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 2 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van verantwoorden staan er 102 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort verantwoorden bij een woordfamilie van 5 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

verantwoorden: rechtvaardigen
Deel verantwoorden — standaardnederlands.nl