verantwoorden
werkwoordBetekenis
- rechtvaardigen
- zich ~: rekenschap afleggen, zich rechtvaardigen
Vervoeging van verantwoorden
verantwoordenhele werkwoord — verantwoorddeverleden tijd enkelvoud — verantwoorddenverleden tijd meervoud — verantwoordvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | verantwoord | verantwoordde |
| jij | verantwoordt | verantwoordde |
| hij, zij, het | verantwoordt | verantwoordde |
| wij | verantwoorden | verantwoordden |
| jullie | verantwoorden | verantwoordden |
| zij | verantwoorden | verantwoordden |
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben verantwoord | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent verantwoord | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is verantwoord | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was verantwoord | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd verantwoord | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt verantwoord | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal verantwoord worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal verantwoord zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou verantwoord worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou verantwoord zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had verantwoord | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had verantwoord | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had verantwoord | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden verantwoord | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden verantwoord | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden verantwoord | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt verantwoord | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb verantwoord | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verantwoord | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben verantwoord | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verantwoord | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben verantwoord | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt verantwoord | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verantwoord | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verantwoord | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is verantwoord | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is verantwoord | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben verantwoord | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te verantwoorden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen verantwoorden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verantwoord | gebiedende wijs |
| verantwoord | verleden tijd, deelwoord |
| verantwoord me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| verantwoord te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verantwoord te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verantwoord te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verantwoord te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verantwoord te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verantwoord u/je , verantwoordt je | gebiedende wijs |
| verantwoord worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verantwoord zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verantwoord zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verantwoord zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verantwoord zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verantwoordde | verleden tijd |
| verantwoordde je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verantwoordde me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verantwoordde u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| verantwoordde u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| verantwoordde zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verantwoordde zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| verantwoordde zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| verantwoordden je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| verantwoordden ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| verantwoordden zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| verantwoorde | aanvoegende wijs |
| verantwoorde zich | aanvoegende wijs |
| verantwoorden je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verantwoorden ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verantwoorden zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verantwoordend | onvoltooid, deelwoord |
| verantwoordt je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| verantwoordt u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verantwoordt u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verantwoordt zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| verantwoordt zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verantwoordt zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| waart verantwoord | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verantwoord | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren verantwoord | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verantwoord | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was verantwoord | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was verantwoord | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was verantwoord | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd verantwoord | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd verantwoord | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd verantwoord | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden verantwoord | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden verantwoord | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden verantwoord | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt verantwoord | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word verantwoord | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden verantwoord | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden verantwoord | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden verantwoord | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt verantwoord | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt verantwoord | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal me verantwoorden | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal verantwoord hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verantwoord hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal verantwoord hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verantwoord worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verantwoord worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal verantwoord zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verantwoord zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verantwoorden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal verantwoorden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal verantwoorden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal zich verantwoorden | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je verantwoorden | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich verantwoord hebben | verleden tijd |
| zich verantwoordend | onvoltooid, deelwoord |
| zijn verantwoord | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn verantwoord | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn verantwoord | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt verantwoord | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou verantwoord hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verantwoord hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verantwoord hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verantwoord worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verantwoord worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou verantwoord worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verantwoord zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verantwoord zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verantwoord zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verantwoorden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou verantwoorden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou verantwoorden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden verantwoord hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verantwoord hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verantwoord hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verantwoord worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verantwoord worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verantwoord worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verantwoord zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verantwoord zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verantwoord zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verantwoorden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verantwoorden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verantwoorden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt verantwoord hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verantwoord worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verantwoord zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verantwoorden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen je verantwoorden | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen ons verantwoorden | eerste persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen verantwoord hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verantwoord hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van antwoord met het voorvoegsel ver- en met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van verantwoorden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| verantwoordde | verleden tijd | verantwoorden |
| verantwoordden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | verantwoorden |
| verantwoordend | onvoltooid deelwoord | verantwoorden |
| verantwoordende | woordvorm | verantwoorden |
| verantwoordt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | verantwoorden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verantwoorden zijn vastgelegd.