venten
werkwoord, zelfstandig naamwoord /ˈvɛntə(n)/Betekenis
- op straat of huis aan huis iets verkopen
Hoe spreek je venten uit?
/ˈvɛntən/
Venten bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| ɛ | bed |
| n | nek |
| t | tak |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van venten
ventenhele werkwoord — ventteverleden tijd enkelvoud — venttenverleden tijd meervoud — geventvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | vent | ventte |
| jij | vent | ventte |
| hij, zij, het | vent | ventte |
| wij | venten | ventten |
| jullie | venten | ventten |
| zij | venten | ventten |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gevent | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gevent | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gevent | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gevent | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gevent worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gevent zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gevent worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gevent zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gevent | verleden tijd, deelwoord |
| gevent te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gevent zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gevent | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gevent | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gevent | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gevent | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gevent | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gevent | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gevent | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gevent | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gevent | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gevent | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gevent | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gevent | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gevent | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gevent | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gevent | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben gevent | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te venten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen venten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vent | gebiedende wijs |
| vente | aanvoegende wijs |
| ventend | onvoltooid, deelwoord |
| ventte | verleden tijd |
| zal gevent hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gevent hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gevent hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal venten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal venten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal venten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gevent hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gevent hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gevent hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou venten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou venten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou venten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gevent hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gevent hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gevent hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden venten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden venten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden venten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gevent hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt venten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gevent hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gevent hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gevent hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen venten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen venten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen venten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen venten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gevent hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult venten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord vent
Herkomst
In de betekenis van ‘in het klein verkopen aan de deur’ voor het eerst aangetroffen in 1277
Woordfamilie van venten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gevent | voltooid deelwoord | venten |
| gevente | woordvorm | venten |
| vente | aanvoegende wijs | venten |
| ventend | onvoltooid deelwoord | venten |
| ventende | woordvorm | venten |
| ventte | verleden tijd | venten |
| ventten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | venten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van venten zijn vastgelegd.