vedelen
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈvedələ(n)Betekenis
- op een vedel spelen
- met een viool volksmuziek spelen, al of niet voor geld
Hoe spreek je vedelen uit?
/ˈvedələn/
Vedelen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| e | veel |
| d | dak |
| ə | de |
| l | land |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van vedelen
vedelenhele werkwoord — vedeldeverleden tijd enkelvoud — vedeldenverleden tijd meervoud — gevedeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | vedel | vedelde |
| jij | vedelt | vedelde |
| hij, zij, het | vedelt | vedelde |
| wij | vedelen | vedelden |
| jullie | vedelen | vedelden |
| zij | vedelen | vedelden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gevedeld | verleden tijd, deelwoord |
| gevedeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gevedeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gevedeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gevedeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gevedeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gevedeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gevedeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gevedeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gevedeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gevedeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gevedeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gevedeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gevedeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gevedeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gevedeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gevedeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gevedeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben gevedeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te vedelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen vedelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vedel | gebiedende wijs |
| vedelde | verleden tijd |
| vedele | aanvoegende wijs |
| vedelend | onvoltooid, deelwoord |
| zal gevedeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gevedeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gevedeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal vedelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal vedelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal vedelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gevedeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gevedeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gevedeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou vedelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou vedelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou vedelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gevedeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gevedeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gevedeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vedelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden vedelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden vedelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gevedeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vedelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gevedeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gevedeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gevedeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen vedelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen vedelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen vedelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen vedelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gevedeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult vedelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord vedel
Woordfamilie van vedelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gevedeld | voltooid deelwoord | vedelen |
| vedelde | verleden tijd | vedelen |
| vedelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | vedelen |
| vedele | aanvoegende wijs | vedelen |
| vedelend | onvoltooid deelwoord | vedelen |
| vedelende | woordvorm | vedelen |
| vedelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | vedelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vedelen zijn vastgelegd.