vechten
werkwoord ˈvɛxtə(n)Betekenis
- strijd leveren
Hoe spreek je vechten uit?
/ˈvɛxtən/
Vechten bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| ɛ | bed |
| x | acht |
| t | tak |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van vechten
vechtenhele werkwoord — vochtverleden tijd enkelvoud — vochtenverleden tijd meervoud — gevochtenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | vecht | vocht |
| jij | vecht | vocht |
| hij, zij, het | vecht | vocht |
| wij | vechten | vochten |
| jullie | vechten | vochten |
| zij | vechten | vochten |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gevochten | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gevochten | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gevochten | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gevochten | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gevochten worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gevochten zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gevochten worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gevochten zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gevochten | verleden tijd, deelwoord |
| gevochten te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gevochten zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gevochten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gevochten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gevochten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gevochten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gevochten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gevochten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gevochten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gevochten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gevochten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gevochten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gevochten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gevochten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gevochten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gevochten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gevochten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben gevochten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te vechten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen vechten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vecht | gebiedende wijs |
| vechte | aanvoegende wijs |
| vechtend | onvoltooid, deelwoord |
| vocht | verleden tijd |
| zal gevochten hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gevochten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gevochten hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal vechten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal vechten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal vechten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gevochten hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gevochten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gevochten hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou vechten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou vechten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou vechten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gevochten hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gevochten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gevochten hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vechten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden vechten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden vechten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gevochten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vechten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gevochten hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gevochten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gevochten hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen vechten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen vechten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen vechten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen vechten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gevochten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult vechten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
van Middelnederlands vechten, Oudnederlands fehtan; in de betekenis van ‘strijden’ voor het eerst aangetroffen in 901
Woordfamilie van vechten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gevochten | voltooid deelwoord | vechten |
| vecht | gebiedende wijs | vechten |
| vechte | aanvoegende wijs | vechten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vechten zijn vastgelegd.