usurperen
werkwoordBetekenis
- toe-eigenen, onrechtmatig in bezit nemen, zich aanmatigen
Vervoeging van usurperen
usurperenhele werkwoord — usurpeerdeverleden tijd enkelvoud — usurpeerdenverleden tijd meervoud — geüsurpeerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | usurpeer | usurpeerde |
| jij | usurpeert | usurpeerde |
| hij, zij, het | usurpeert | usurpeerde |
| wij | usurperen | usurpeerden |
| jullie | usurperen | usurpeerden |
| zij | usurperen | usurpeerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben geüsurpeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent geüsurpeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is geüsurpeerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geüsurpeerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geüsurpeerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geüsurpeerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geüsurpeerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geüsurpeerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geüsurpeerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geüsurpeerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geüsurpeerd | verleden tijd, deelwoord |
| geüsurpeerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geüsurpeerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geüsurpeerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geüsurpeerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geüsurpeerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geüsurpeerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geüsurpeerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geüsurpeerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geüsurpeerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geüsurpeerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geüsurpeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geüsurpeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geüsurpeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geüsurpeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geüsurpeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geüsurpeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geüsurpeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geüsurpeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geüsurpeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geüsurpeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geüsurpeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geüsurpeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geüsurpeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geüsurpeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geüsurpeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is geüsurpeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geüsurpeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben geüsurpeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te usurperen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen usurperen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| usurpeer | gebiedende wijs |
| usurpeerde | verleden tijd |
| usurpere | aanvoegende wijs |
| usurperend | onvoltooid, deelwoord |
| waart geüsurpeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geüsurpeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geüsurpeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geüsurpeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geüsurpeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geüsurpeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geüsurpeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd geüsurpeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd geüsurpeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd geüsurpeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden geüsurpeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden geüsurpeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden geüsurpeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt geüsurpeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word geüsurpeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden geüsurpeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden geüsurpeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden geüsurpeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt geüsurpeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt geüsurpeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal geüsurpeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geüsurpeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geüsurpeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal geüsurpeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geüsurpeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal geüsurpeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geüsurpeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal usurperen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal usurperen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal usurperen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn geüsurpeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geüsurpeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geüsurpeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt geüsurpeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou geüsurpeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geüsurpeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geüsurpeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou geüsurpeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geüsurpeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou geüsurpeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geüsurpeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geüsurpeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geüsurpeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou usurperen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou usurperen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou usurperen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geüsurpeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geüsurpeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geüsurpeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geüsurpeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden geüsurpeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden geüsurpeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geüsurpeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geüsurpeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geüsurpeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden usurperen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden usurperen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden usurperen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geüsurpeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geüsurpeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geüsurpeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt usurperen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geüsurpeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geüsurpeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geüsurpeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geüsurpeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen geüsurpeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen geüsurpeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geüsurpeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geüsurpeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geüsurpeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen usurperen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen usurperen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen usurperen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen usurperen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geüsurpeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geüsurpeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geüsurpeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult usurperen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘overweldigen’ voor het eerst aangetroffen in 1525
Woordfamilie van usurperen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geüsurpeerd | voltooid deelwoord | usurperen |
| geüsurpeerde | woordvorm | usurperen |
| usurpeer | gebiedende wijs | usurperen |
| usurpeerde | verleden tijd | usurperen |
| usurpeerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | usurperen |
| usurpeert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | usurperen |
| usurpere | aanvoegende wijs | usurperen |
| usurperend | onvoltooid deelwoord | usurperen |
| usurperende | woordvorm | usurperen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van usurperen zijn vastgelegd.