uitzien
werkwoord /'œy̆t.sin/Betekenis
- een zekere aanblik hebben: zie eruitzien
- ~ naar een verlangen koesteren
Hoe spreek je uitzien uit?
/ˈœy̆tsin/
Uitzien bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| œy | huis |
| t | tak |
| s | sok |
| i | riet |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van uitzien
uitzienhele werkwoord — zag uitverleden tijd enkelvoud — zagen uitverleden tijd meervoud — uitgezienvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | zie uit | zag uit |
| jij | ziet uit | zaagt uit |
| hij, zij, het | ziet uit | zag uit |
| wij | zien uit | zagen uit |
| jullie | zien uit | zagen uit |
| zij | zien uit | zagen uit |
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had uitgezien | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had uitgezien | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had uitgezien | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden uitgezien | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden uitgezien | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden uitgezien | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt uitgezien | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb uitgezien | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgezien | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben uitgezien | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgezien | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben uitgezien | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt uitgezien | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgezien | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgezien | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben uitgezien | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen uitzien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit te zien | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uit te zullen zien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit zal zien | bijzin, toekomende tijd |
| uit zou zien | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zouden zien | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zoudt zien | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zullen zien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uit zullen zien | bijzin, toekomende tijd |
| uit zult zien | bijzin, toekomende tijd |
| uitgezien | verleden tijd, deelwoord |
| uitgezien te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgezien zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitzaagt | bijzin, verleden tijd |
| uitzag | bijzin, verleden tijd |
| uitzagen | bijzin, verleden tijd |
| uitzie | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitziend | onvoltooid, deelwoord |
| uitziet | bijzin, tegenwoordige tijd |
| zag uit | verleden tijd |
| zal uitgezien hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgezien hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal uitgezien hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uitzien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal uitzien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal uitzien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal uitzien | bijzin, toekomende tijd |
| zie uit | gebiedende wijs |
| zou uitgezien hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgezien hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgezien hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uitzien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou uitzien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou uitzien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou uitzien | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) uitzien uit zou(dt) zien | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden uitgezien hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgezien hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgezien hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitzien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitzien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitzien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden uitzien | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt uitgezien hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitzien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt uitzien | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen uitgezien hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgezien hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgezien hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitzien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen uitzien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitzien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitzien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen uitzien | bijzin, toekomende tijd |
| zult uitgezien hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult uitzien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult uitzien | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal uitzien uit zult/zal zien | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van uit bw en zien ww
Woordfamilie van uitzien
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| uitgezien | voltooid deelwoord | uitzien |
| uitzag | subordinate-clause, verleden tijd | uitzien |
| uitzie | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitzien |
| uitziet | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitzien |
| zag uit | verleden tijd | uitzien |
| zie uit | gebiedende wijs | uitzien |
| zien uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | uitzien |
| ziet uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | uitzien |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitzien zijn vastgelegd.