uitzieken
werkwoord ˈœytsikə(n)Betekenis
- een ziekte geheel tot volledige genezing verwerken
Hoe spreek je uitzieken uit?
/ˈœytsikən/
Uitzieken bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| œy | huis |
| t | tak |
| s | sok |
| i | riet |
| k | kat |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van uitzieken
uitziekenhele werkwoord — ziekte uitverleden tijd enkelvoud — ziekten uitverleden tijd meervoud — uitgeziektvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | ziek uit | ziekte uit |
| jij | ziekt uit | ziekte uit |
| hij, zij, het | ziekt uit | ziekte uit |
| wij | zieken uit | ziekten uit |
| jullie | zieken uit | ziekten uit |
| zij | zieken uit | ziekten uit |
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben uitgeziekt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent uitgeziekt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| is uitgeziekt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is uitgeziekt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te zijn uitgeziekt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen uitzieken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit te zieken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uit te zullen zieken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit zal zieken | bijzin, toekomende tijd |
| uit zou zieken | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zouden zieken | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zoudt zieken | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zullen zieken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uit zullen zieken | bijzin, toekomende tijd |
| uit zult zieken | bijzin, toekomende tijd |
| uitgeziekt | verleden tijd, deelwoord |
| uitgeziekt te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgeziekt zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitziek | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitziekend | onvoltooid, deelwoord |
| uitziekt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitziekte | bijzin, verleden tijd |
| uitziekten | bijzin, verleden tijd |
| waart uitgeziekt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgeziekt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren uitgeziekt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgeziekt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was uitgeziekt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was uitgeziekt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was uitgeziekt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal uitgeziekt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgeziekt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal uitgeziekt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uitzieken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal uitzieken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal uitzieken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal uitzieken | bijzin, toekomende tijd |
| ziek uit | gebiedende wijs |
| ziekte uit | verleden tijd |
| zijn uitgeziekt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn uitgeziekt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn uitgeziekt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn uitgeziekt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt uitgeziekt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou uitgeziekt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgeziekt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgeziekt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uitzieken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou uitzieken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou uitzieken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou uitzieken | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) uitzieken uit zou(dt) zieken | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden uitgeziekt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgeziekt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgeziekt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitzieken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitzieken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitzieken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden uitzieken | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt uitgeziekt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitzieken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt uitzieken | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen uitgeziekt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgeziekt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgeziekt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitzieken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen uitzieken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitzieken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitzieken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen uitzieken | bijzin, toekomende tijd |
| zult uitgeziekt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult uitzieken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult uitzieken | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal uitzieken uit zult/zal zieken | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van uit en zieken
Woordfamilie van uitzieken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| uitgeziekt | voltooid deelwoord | uitzieken |
| uitziek | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitzieken |
| uitzieke | with-subordinate-clause | uitzieken |
| uitziekend | onvoltooid deelwoord | uitzieken |
| uitziekende | woordvorm | uitzieken |
| uitziekt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitzieken |
| uitziekte | subordinate-clause, verleden tijd | uitzieken |
| uitziekten | subordinate-clause, verleden tijd | uitzieken |
| ziek uit | gebiedende wijs | uitzieken |
| zieke uit | woordvorm | uitzieken |
| zieken uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | uitzieken |
| ziekt uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | uitzieken |
| ziekte uit | verleden tijd | uitzieken |
| ziekten uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | uitzieken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitzieken zijn vastgelegd.