Naar de inhoud

uitzagen

door zagen wegnemen uit (een plaat)

uitzagen

werkwoord

Betekenis

  1. door zagen wegnemen uit (een plaat)
  2. door zagen uit iets vormen

Vervoeging van uitzagen

uitzagenhele werkwoord — zaagde uitverleden tijd enkelvoud — zaagden uitverleden tijd meervoud — uitgezaagdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik zaag uit zaagde uit
jij zaagt uit zaagde uit
hij, zij, het zaagt uit zaagde uit
wij zagen uit zaagden uit
jullie zagen uit zaagden uit
zij zagen uit zaagden uit
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben uitgezaagd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent uitgezaagd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is uitgezaagd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was uitgezaagd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd uitgezaagd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt uitgezaagd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal uitgezaagd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal uitgezaagd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou uitgezaagd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou uitgezaagd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had uitgezaagd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had uitgezaagd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had uitgezaagd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden uitgezaagd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden uitgezaagd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden uitgezaagd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt uitgezaagd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb uitgezaagd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgezaagd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben uitgezaagd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgezaagd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben uitgezaagd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt uitgezaagd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgezaagd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgezaagd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is uitgezaagd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is uitgezaagd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben uitgezaagd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen uitzagen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit te zagen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uit te zullen zagen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit zal zagen bijzin, toekomende tijd
uit zou zagen bijzin, voorwaardelijk
uit zouden zagen bijzin, voorwaardelijk
uit zoudt zagen bijzin, voorwaardelijk
uit zullen zagen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uit zullen zagen bijzin, toekomende tijd
uit zult zagen bijzin, toekomende tijd
uitgezaagd verleden tijd, deelwoord
uitgezaagd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgezaagd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgezaagd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgezaagd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgezaagd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgezaagd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgezaagd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgezaagd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgezaagd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgezaagd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitzaag bijzin, tegenwoordige tijd
uitzaagde bijzin, verleden tijd
uitzaagden bijzin, verleden tijd
uitzaagt bijzin, tegenwoordige tijd
uitzagend onvoltooid, deelwoord
waart uitgezaagd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgezaagd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren uitgezaagd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgezaagd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was uitgezaagd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was uitgezaagd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was uitgezaagd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd uitgezaagd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd uitgezaagd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd uitgezaagd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden uitgezaagd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden uitgezaagd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden uitgezaagd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt uitgezaagd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word uitgezaagd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden uitgezaagd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden uitgezaagd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden uitgezaagd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt uitgezaagd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt uitgezaagd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zaag uit gebiedende wijs
zaagde uit verleden tijd
zal uitgezaagd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgezaagd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal uitgezaagd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitgezaagd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgezaagd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal uitgezaagd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgezaagd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitzagen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal uitzagen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal uitzagen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal uitzagen bijzin, toekomende tijd
zijn uitgezaagd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn uitgezaagd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn uitgezaagd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt uitgezaagd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou uitgezaagd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgezaagd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgezaagd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitgezaagd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgezaagd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou uitgezaagd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgezaagd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgezaagd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgezaagd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitzagen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou uitzagen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou uitzagen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou uitzagen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) uitzagen uit zou(dt) zagen bijzin, voorwaardelijk
zouden uitgezaagd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgezaagd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgezaagd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitgezaagd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitgezaagd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitgezaagd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitgezaagd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgezaagd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgezaagd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitzagen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitzagen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitzagen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden uitzagen bijzin, voorwaardelijk
zoudt uitgezaagd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitgezaagd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitgezaagd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitzagen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt uitzagen bijzin, voorwaardelijk
zullen uitgezaagd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgezaagd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgezaagd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitgezaagd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitgezaagd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitgezaagd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitgezaagd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgezaagd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgezaagd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitzagen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen uitzagen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitzagen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitzagen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen uitzagen bijzin, toekomende tijd
zult uitgezaagd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud verleden tijd van uitzien

Vervoeging van uitzagen

uitzagenhele werkwoord — zaagde uitverleden tijd enkelvoud — zaagden uitverleden tijd meervoud — uitgezaagdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik zaag uit zaagde uit
jij zaagt uit zaagde uit
hij, zij, het zaagt uit zaagde uit
wij zagen uit zaagden uit
jullie zagen uit zaagden uit
zij zagen uit zaagden uit
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben uitgezaagd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent uitgezaagd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is uitgezaagd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was uitgezaagd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd uitgezaagd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt uitgezaagd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal uitgezaagd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal uitgezaagd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou uitgezaagd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou uitgezaagd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had uitgezaagd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had uitgezaagd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had uitgezaagd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden uitgezaagd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden uitgezaagd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden uitgezaagd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt uitgezaagd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb uitgezaagd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgezaagd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben uitgezaagd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgezaagd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben uitgezaagd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt uitgezaagd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgezaagd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgezaagd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is uitgezaagd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is uitgezaagd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben uitgezaagd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen uitzagen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit te zagen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uit te zullen zagen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit zal zagen bijzin, toekomende tijd
uit zou zagen bijzin, voorwaardelijk
uit zouden zagen bijzin, voorwaardelijk
uit zoudt zagen bijzin, voorwaardelijk
uit zullen zagen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uit zullen zagen bijzin, toekomende tijd
uit zult zagen bijzin, toekomende tijd
uitgezaagd verleden tijd, deelwoord
uitgezaagd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgezaagd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgezaagd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgezaagd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgezaagd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgezaagd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgezaagd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgezaagd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgezaagd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgezaagd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitzaag bijzin, tegenwoordige tijd
uitzaagde bijzin, verleden tijd
uitzaagden bijzin, verleden tijd
uitzaagt bijzin, tegenwoordige tijd
uitzagend onvoltooid, deelwoord
waart uitgezaagd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgezaagd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren uitgezaagd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgezaagd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was uitgezaagd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was uitgezaagd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was uitgezaagd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd uitgezaagd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd uitgezaagd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd uitgezaagd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden uitgezaagd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden uitgezaagd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden uitgezaagd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt uitgezaagd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word uitgezaagd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden uitgezaagd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden uitgezaagd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden uitgezaagd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt uitgezaagd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt uitgezaagd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zaag uit gebiedende wijs
zaagde uit verleden tijd
zal uitgezaagd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgezaagd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal uitgezaagd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitgezaagd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgezaagd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal uitgezaagd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgezaagd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitzagen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal uitzagen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal uitzagen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal uitzagen bijzin, toekomende tijd
zijn uitgezaagd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn uitgezaagd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn uitgezaagd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt uitgezaagd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou uitgezaagd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgezaagd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgezaagd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitgezaagd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgezaagd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou uitgezaagd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgezaagd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgezaagd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgezaagd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitzagen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou uitzagen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou uitzagen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou uitzagen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) uitzagen uit zou(dt) zagen bijzin, voorwaardelijk
zouden uitgezaagd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgezaagd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgezaagd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitgezaagd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitgezaagd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitgezaagd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitgezaagd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgezaagd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgezaagd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitzagen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitzagen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitzagen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden uitzagen bijzin, voorwaardelijk
zoudt uitgezaagd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitgezaagd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitgezaagd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitzagen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt uitzagen bijzin, voorwaardelijk
zullen uitgezaagd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgezaagd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgezaagd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitgezaagd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitgezaagd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitgezaagd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitgezaagd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgezaagd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgezaagd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitzagen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen uitzagen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitzagen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitzagen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen uitzagen bijzin, toekomende tijd
zult uitgezaagd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van uit bw en zagen ww

Woordfamilie van uitzagen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
uitgezaagd voltooid deelwoord uitzagen
uitgezaagde woordvorm uitzagen
uitzaag subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitzagen
uitzaagde subordinate-clause, verleden tijd uitzagen
uitzaagden subordinate-clause, verleden tijd uitzagen
uitzaagt subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitzagen
uitzage with-subordinate-clause uitzagen
uitzagend onvoltooid deelwoord uitzagen
uitzagende woordvorm uitzagen
zaag uit gebiedende wijs uitzagen
zaagde uit verleden tijd uitzagen
zaagden uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon uitzagen
zaagt uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon uitzagen
zage uit woordvorm uitzagen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitzagen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over uitzagen

Wat is de betekenis van uitzagen?
Uitzagen is een werkwoord. De betekenis is: door zagen wegnemen uit (een plaat). In totaal staan er 2 betekenissen.
Hoe vervoeg ik uitzagen?
Zo vervoeg je uitzagen zo: het voltooid deelwoord is uitgezaagd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord uitzagen is 17 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. U 4
  2. I 1
  3. T 2
  4. Z 4
  5. A 1
  6. G 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 17 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

uitzagen levert met Wordfeud minimaal 17 en maximaal 81 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. U 2
  2. I 2
  3. T 2
  4. Z 5
  5. A 1
  6. G 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 17 zonder bonus
  10. 81 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (Z) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

uitzagen in het kort

uitzagen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 2 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van uitzagen staan er 88 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort uitzagen bij een woordfamilie van 14 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

uitzagen: door zagen wegnemen uit (een plaat)
Deel uitzagen — standaardnederlands.nl