uitzagen
werkwoordBetekenis
- door zagen wegnemen uit (een plaat)
- door zagen uit iets vormen
Vervoeging van uitzagen
uitzagenhele werkwoord — zaagde uitverleden tijd enkelvoud — zaagden uitverleden tijd meervoud — uitgezaagdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | zaag uit | zaagde uit |
| jij | zaagt uit | zaagde uit |
| hij, zij, het | zaagt uit | zaagde uit |
| wij | zagen uit | zaagden uit |
| jullie | zagen uit | zaagden uit |
| zij | zagen uit | zaagden uit |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben uitgezaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent uitgezaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is uitgezaagd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was uitgezaagd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd uitgezaagd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt uitgezaagd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal uitgezaagd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal uitgezaagd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou uitgezaagd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou uitgezaagd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had uitgezaagd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had uitgezaagd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had uitgezaagd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden uitgezaagd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden uitgezaagd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden uitgezaagd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt uitgezaagd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb uitgezaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgezaagd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben uitgezaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgezaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben uitgezaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt uitgezaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgezaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgezaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is uitgezaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is uitgezaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben uitgezaagd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen uitzagen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit te zagen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uit te zullen zagen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit zal zagen | bijzin, toekomende tijd |
| uit zou zagen | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zouden zagen | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zoudt zagen | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zullen zagen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uit zullen zagen | bijzin, toekomende tijd |
| uit zult zagen | bijzin, toekomende tijd |
| uitgezaagd | verleden tijd, deelwoord |
| uitgezaagd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uitgezaagd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uitgezaagd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgezaagd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgezaagd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgezaagd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uitgezaagd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uitgezaagd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitgezaagd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitgezaagd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitzaag | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitzaagde | bijzin, verleden tijd |
| uitzaagden | bijzin, verleden tijd |
| uitzaagt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitzagend | onvoltooid, deelwoord |
| waart uitgezaagd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgezaagd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren uitgezaagd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgezaagd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was uitgezaagd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was uitgezaagd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was uitgezaagd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd uitgezaagd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd uitgezaagd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd uitgezaagd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden uitgezaagd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden uitgezaagd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden uitgezaagd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt uitgezaagd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word uitgezaagd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden uitgezaagd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden uitgezaagd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden uitgezaagd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt uitgezaagd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt uitgezaagd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zaag uit | gebiedende wijs |
| zaagde uit | verleden tijd |
| zal uitgezaagd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgezaagd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal uitgezaagd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uitgezaagd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgezaagd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal uitgezaagd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgezaagd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uitzagen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal uitzagen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal uitzagen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal uitzagen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn uitgezaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn uitgezaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn uitgezaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt uitgezaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou uitgezaagd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgezaagd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgezaagd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uitgezaagd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgezaagd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou uitgezaagd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgezaagd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgezaagd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgezaagd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uitzagen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou uitzagen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou uitzagen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou uitzagen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) uitzagen uit zou(dt) zagen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden uitgezaagd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgezaagd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgezaagd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitgezaagd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitgezaagd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitgezaagd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitgezaagd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgezaagd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgezaagd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitzagen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitzagen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitzagen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden uitzagen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt uitgezaagd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitgezaagd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitgezaagd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitzagen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt uitzagen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen uitgezaagd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgezaagd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgezaagd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitgezaagd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitgezaagd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitgezaagd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitgezaagd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgezaagd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgezaagd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitzagen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen uitzagen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitzagen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitzagen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen uitzagen | bijzin, toekomende tijd |
| zult uitgezaagd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud verleden tijd van uitzien
Vervoeging van uitzagen
uitzagenhele werkwoord — zaagde uitverleden tijd enkelvoud — zaagden uitverleden tijd meervoud — uitgezaagdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | zaag uit | zaagde uit |
| jij | zaagt uit | zaagde uit |
| hij, zij, het | zaagt uit | zaagde uit |
| wij | zagen uit | zaagden uit |
| jullie | zagen uit | zaagden uit |
| zij | zagen uit | zaagden uit |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben uitgezaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent uitgezaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is uitgezaagd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was uitgezaagd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd uitgezaagd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt uitgezaagd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal uitgezaagd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal uitgezaagd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou uitgezaagd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou uitgezaagd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had uitgezaagd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had uitgezaagd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had uitgezaagd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden uitgezaagd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden uitgezaagd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden uitgezaagd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt uitgezaagd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb uitgezaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgezaagd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben uitgezaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgezaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben uitgezaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt uitgezaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgezaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgezaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is uitgezaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is uitgezaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben uitgezaagd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen uitzagen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit te zagen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uit te zullen zagen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit zal zagen | bijzin, toekomende tijd |
| uit zou zagen | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zouden zagen | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zoudt zagen | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zullen zagen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uit zullen zagen | bijzin, toekomende tijd |
| uit zult zagen | bijzin, toekomende tijd |
| uitgezaagd | verleden tijd, deelwoord |
| uitgezaagd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uitgezaagd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uitgezaagd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgezaagd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgezaagd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgezaagd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uitgezaagd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uitgezaagd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitgezaagd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitgezaagd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitzaag | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitzaagde | bijzin, verleden tijd |
| uitzaagden | bijzin, verleden tijd |
| uitzaagt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitzagend | onvoltooid, deelwoord |
| waart uitgezaagd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgezaagd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren uitgezaagd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgezaagd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was uitgezaagd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was uitgezaagd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was uitgezaagd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd uitgezaagd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd uitgezaagd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd uitgezaagd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden uitgezaagd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden uitgezaagd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden uitgezaagd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt uitgezaagd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word uitgezaagd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden uitgezaagd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden uitgezaagd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden uitgezaagd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt uitgezaagd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt uitgezaagd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zaag uit | gebiedende wijs |
| zaagde uit | verleden tijd |
| zal uitgezaagd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgezaagd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal uitgezaagd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uitgezaagd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgezaagd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal uitgezaagd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgezaagd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uitzagen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal uitzagen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal uitzagen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal uitzagen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn uitgezaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn uitgezaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn uitgezaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt uitgezaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou uitgezaagd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgezaagd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgezaagd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uitgezaagd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgezaagd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou uitgezaagd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgezaagd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgezaagd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgezaagd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uitzagen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou uitzagen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou uitzagen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou uitzagen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) uitzagen uit zou(dt) zagen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden uitgezaagd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgezaagd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgezaagd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitgezaagd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitgezaagd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitgezaagd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitgezaagd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgezaagd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgezaagd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitzagen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitzagen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitzagen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden uitzagen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt uitgezaagd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitgezaagd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitgezaagd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitzagen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt uitzagen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen uitgezaagd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgezaagd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgezaagd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitgezaagd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitgezaagd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitgezaagd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitgezaagd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgezaagd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgezaagd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitzagen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen uitzagen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitzagen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitzagen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen uitzagen | bijzin, toekomende tijd |
| zult uitgezaagd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van uit bw en zagen ww
Woordfamilie van uitzagen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| uitgezaagd | voltooid deelwoord | uitzagen |
| uitgezaagde | woordvorm | uitzagen |
| uitzaag | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitzagen |
| uitzaagde | subordinate-clause, verleden tijd | uitzagen |
| uitzaagden | subordinate-clause, verleden tijd | uitzagen |
| uitzaagt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitzagen |
| uitzage | with-subordinate-clause | uitzagen |
| uitzagend | onvoltooid deelwoord | uitzagen |
| uitzagende | woordvorm | uitzagen |
| zaag uit | gebiedende wijs | uitzagen |
| zaagde uit | verleden tijd | uitzagen |
| zaagden uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | uitzagen |
| zaagt uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | uitzagen |
| zage uit | woordvorm | uitzagen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitzagen zijn vastgelegd.