uitzingen
werkwoordBetekenis
- volhouden
- tot het einde doorzingen
Vervoeging van uitzingen
uitzingenhele werkwoord — zong uitverleden tijd enkelvoud — zongen uitverleden tijd meervoud — uitgezongenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | zing uit | zong uit |
| jij | zingt uit | zong uit |
| hij, zij, het | zingt uit | zong uit |
| wij | zingen uit | zongen uit |
| jullie | zingen uit | zongen uit |
| zij | zingen uit | zongen uit |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben uitgezongen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent uitgezongen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is uitgezongen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was uitgezongen | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd uitgezongen | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt uitgezongen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal uitgezongen worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal uitgezongen zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou uitgezongen worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou uitgezongen zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had uitgezongen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had uitgezongen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had uitgezongen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden uitgezongen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden uitgezongen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden uitgezongen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt uitgezongen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb uitgezongen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgezongen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben uitgezongen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgezongen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben uitgezongen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt uitgezongen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgezongen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgezongen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is uitgezongen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is uitgezongen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben uitgezongen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen uitzingen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit te zingen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uit te zullen zingen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit zal zingen | bijzin, toekomende tijd |
| uit zou zingen | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zouden zingen | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zoudt zingen | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zullen zingen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uit zullen zingen | bijzin, toekomende tijd |
| uit zult zingen | bijzin, toekomende tijd |
| uitgezongen | verleden tijd, deelwoord |
| uitgezongen te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uitgezongen te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uitgezongen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgezongen te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgezongen te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgezongen worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uitgezongen zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uitgezongen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitgezongen zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitgezongen zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitzing | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitzingend | onvoltooid, deelwoord |
| uitzingt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitzong | bijzin, verleden tijd |
| uitzongen | bijzin, verleden tijd |
| waart uitgezongen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgezongen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren uitgezongen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgezongen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was uitgezongen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was uitgezongen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was uitgezongen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd uitgezongen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd uitgezongen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd uitgezongen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden uitgezongen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden uitgezongen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden uitgezongen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt uitgezongen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word uitgezongen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden uitgezongen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden uitgezongen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden uitgezongen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt uitgezongen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt uitgezongen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal uitgezongen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgezongen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal uitgezongen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uitgezongen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgezongen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal uitgezongen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgezongen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uitzingen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal uitzingen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal uitzingen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal uitzingen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn uitgezongen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn uitgezongen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn uitgezongen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt uitgezongen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zing uit | gebiedende wijs |
| zong uit | verleden tijd |
| zou uitgezongen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgezongen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgezongen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uitgezongen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgezongen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou uitgezongen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgezongen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgezongen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgezongen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uitzingen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou uitzingen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou uitzingen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou uitzingen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) uitzingen uit zou(dt) zingen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden uitgezongen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgezongen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgezongen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitgezongen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitgezongen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitgezongen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitgezongen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgezongen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgezongen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitzingen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitzingen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitzingen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden uitzingen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt uitgezongen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitgezongen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitgezongen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitzingen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt uitzingen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen uitgezongen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgezongen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgezongen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitgezongen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitgezongen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitgezongen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitgezongen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgezongen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgezongen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitzingen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen uitzingen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitzingen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitzingen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen uitzingen | bijzin, toekomende tijd |
| zult uitgezongen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van uit en zingen
Woordfamilie van uitzingen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| uitgezongen | voltooid deelwoord | uitzingen |
| uitzing | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitzingen |
| uitzinge | with-subordinate-clause | uitzingen |
| uitzingend | onvoltooid deelwoord | uitzingen |
| uitzingende | woordvorm | uitzingen |
| uitzingt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitzingen |
| uitzong | subordinate-clause, verleden tijd | uitzingen |
| uitzongen | subordinate-clause, verleden tijd | uitzingen |
| zing uit | gebiedende wijs | uitzingen |
| zinge uit | woordvorm | uitzingen |
| zingen uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | uitzingen |
| zingt uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | uitzingen |
| zong uit | verleden tijd | uitzingen |
| zongen uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | uitzingen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitzingen zijn vastgelegd.