Naar de inhoud

uitzetten

in volume toenemen

uitzetten is meer dan één woord

uitzetten

werkwoord, zelfstandig naamwoord

Betekenis

  1. in volume toenemen
  2. iemand dwingen een gebied of gebouw te verlaten
  3. het uitschakelen van een elektrisch toestel
  4. bedenken en plannen van een actie
  5. in de omgeving neerzetten

Vervoeging van uitzetten

uitzettenhele werkwoord — zette uitverleden tijd enkelvoud — zetten uitverleden tijd meervoud — uitgezetvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik zet uit zette uit
jij zet uit zette uit
hij, zij, het zet uit zette uit
wij zetten uit zetten uit
jullie zetten uit zetten uit
zij zetten uit zetten uit
Alle 143 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben uitgezet voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent uitgezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is uitgezet impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was uitgezet impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd uitgezet impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt uitgezet impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal uitgezet worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal uitgezet zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou uitgezet worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou uitgezet zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had uitgezet voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had uitgezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had uitgezet voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden uitgezet voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden uitgezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden uitgezet voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt uitgezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb uitgezet voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgezet actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben uitgezet voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben uitgezet voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt uitgezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgezet voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is uitgezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is uitgezet voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben uitgezet actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen uitzetten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit te zetten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uit te zullen zetten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit zal zetten bijzin, toekomende tijd
uit zou zetten bijzin, voorwaardelijk
uit zouden zetten bijzin, voorwaardelijk
uit zoudt zetten bijzin, voorwaardelijk
uit zullen zetten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uit zullen zetten bijzin, toekomende tijd
uit zult zetten bijzin, toekomende tijd
uitgezet verleden tijd, deelwoord
uitgezet te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgezet te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgezet te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgezet te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgezet te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgezet worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgezet zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgezet zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgezet zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgezet zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitzet bijzin, tegenwoordige tijd
uitzette bijzin, verleden tijd
uitzettend onvoltooid, deelwoord
waart uitgezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgezet voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren uitgezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgezet voltooid, verleden tijd, derde persoon
was uitgezet voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was uitgezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was uitgezet voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd uitgezet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd uitgezet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd uitgezet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden uitgezet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden uitgezet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden uitgezet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt uitgezet enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word uitgezet enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden uitgezet enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden uitgezet enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden uitgezet enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt uitgezet enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt uitgezet enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal uitgezet hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgezet hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal uitgezet hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitgezet worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgezet worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal uitgezet zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgezet zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal uitzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal uitzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal uitzetten bijzin, toekomende tijd
zet uit gebiedende wijs
zette uit verleden tijd
zijn uitgezet voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn uitgezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn uitgezet voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt uitgezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou uitgezet hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgezet hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgezet hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitgezet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgezet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou uitgezet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgezet zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgezet zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgezet zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou uitzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou uitzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou uitzetten bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) uitzetten uit zou(dt) zetten bijzin, voorwaardelijk
zouden uitgezet hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgezet hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgezet hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitgezet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitgezet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitgezet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitgezet zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgezet zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgezet zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden uitzetten bijzin, voorwaardelijk
zoudt uitgezet hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitgezet worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitgezet zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt uitzetten bijzin, voorwaardelijk
zullen uitgezet hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgezet hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgezet hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitgezet worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitgezet worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitgezet worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitgezet zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgezet zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgezet zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitzetten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen uitzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen uitzetten bijzin, toekomende tijd
zult uitgezet hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult uitgezet worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult uitgezet zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord uitzet

Herkomst

samenstelling van uit bw en zetten ww

Woordfamilie van uitzetten

Woordvorm Relatie Afgeleid van
uitgezet voltooid deelwoord uitzetten
uitzette subordinate-clause, verleden tijd uitzetten
uitzettend onvoltooid deelwoord uitzetten
uitzettende woordvorm uitzetten
zet uit gebiedende wijs uitzetten
zette uit verleden tijd uitzetten
zetten uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon uitzetten

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitzetten zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over uitzetten

Wat is de betekenis van uitzetten?
Uitzetten is een werkwoord. De betekenis is: in volume toenemen. In totaal staan er 5 betekenissen.
Hoe vervoeg ik uitzetten?
Zo vervoeg je uitzetten zo: het voltooid deelwoord is uitgezet. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord uitzetten is 18 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. U 4
  2. I 1
  3. T 2
  4. Z 4
  5. E 1
  6. T 2
  7. T 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 18 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

uitzetten levert met Wordfeud minimaal 18 en maximaal 84 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. U 2
  2. I 2
  3. T 2
  4. Z 5
  5. E 1
  6. T 2
  7. T 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 18 zonder bonus
  11. 84 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (Z) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

uitzetten in het kort

uitzetten is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Wat het is, hangt af van de zin. Hierboven vind je 5 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van uitzetten staan er 84 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort uitzetten bij een woordfamilie van 7 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

uitzetten: in volume toenemen
Deel uitzetten — standaardnederlands.nl