uitwisselen
werkwoord ˈœytwɪsələ(n)Betekenis
- wederzijds ruilen
Hoe spreek je uitwisselen uit?
/ˈœytwɪsələn/
Uitwisselen bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| œy | huis |
| t | tak |
| w | quiz |
| ɪ | pit |
| s | sok |
| ə | de |
| l | land |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- een bericht naar elkaar sturen
Vervoeging van uitwisselen
uitwisselenhele werkwoord — wisselde uitverleden tijd enkelvoud — wisselden uitverleden tijd meervoud — uitgewisseldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | wissel uit | wisselde uit |
| jij | wisselt uit | wisselde uit |
| hij, zij, het | wisselt uit | wisselde uit |
| wij | wisselen uit | wisselden uit |
| jullie | wisselen uit | wisselden uit |
| zij | wisselen uit | wisselden uit |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben uitgewisseld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent uitgewisseld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is uitgewisseld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was uitgewisseld | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd uitgewisseld | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt uitgewisseld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal uitgewisseld worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal uitgewisseld zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou uitgewisseld worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou uitgewisseld zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had uitgewisseld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had uitgewisseld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had uitgewisseld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden uitgewisseld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden uitgewisseld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden uitgewisseld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt uitgewisseld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb uitgewisseld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgewisseld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben uitgewisseld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgewisseld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben uitgewisseld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt uitgewisseld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgewisseld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgewisseld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is uitgewisseld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is uitgewisseld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben uitgewisseld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen uitwisselen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit te wisselen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uit te zullen wisselen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit zal wisselen | bijzin, toekomende tijd |
| uit zou wisselen | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zouden wisselen | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zoudt wisselen | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zullen wisselen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uit zullen wisselen | bijzin, toekomende tijd |
| uit zult wisselen | bijzin, toekomende tijd |
| uitgewisseld | verleden tijd, deelwoord |
| uitgewisseld te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uitgewisseld te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uitgewisseld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgewisseld te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgewisseld te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgewisseld worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uitgewisseld zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uitgewisseld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitgewisseld zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitgewisseld zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitwissel | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitwisselde | bijzin, verleden tijd |
| uitwisselden | bijzin, verleden tijd |
| uitwisselend | onvoltooid, deelwoord |
| uitwisselt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| waart uitgewisseld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgewisseld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren uitgewisseld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgewisseld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was uitgewisseld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was uitgewisseld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was uitgewisseld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd uitgewisseld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd uitgewisseld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd uitgewisseld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden uitgewisseld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden uitgewisseld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden uitgewisseld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt uitgewisseld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| wissel uit | gebiedende wijs |
| wisselde uit | verleden tijd |
| word uitgewisseld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden uitgewisseld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden uitgewisseld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden uitgewisseld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt uitgewisseld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt uitgewisseld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal uitgewisseld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgewisseld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal uitgewisseld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uitgewisseld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgewisseld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal uitgewisseld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgewisseld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uitwisselen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal uitwisselen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal uitwisselen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal uitwisselen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn uitgewisseld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn uitgewisseld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn uitgewisseld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt uitgewisseld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou uitgewisseld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgewisseld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgewisseld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uitgewisseld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgewisseld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou uitgewisseld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgewisseld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgewisseld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgewisseld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uitwisselen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou uitwisselen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou uitwisselen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou uitwisselen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) uitwisselen uit zou(dt) wisselen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden uitgewisseld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgewisseld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgewisseld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitgewisseld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitgewisseld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitgewisseld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitgewisseld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgewisseld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgewisseld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitwisselen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitwisselen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitwisselen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden uitwisselen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt uitgewisseld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitgewisseld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitgewisseld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitwisselen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt uitwisselen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen uitgewisseld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgewisseld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgewisseld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitgewisseld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitgewisseld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitgewisseld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitgewisseld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgewisseld zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgewisseld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitwisselen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen uitwisselen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitwisselen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitwisselen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen uitwisselen | bijzin, toekomende tijd |
| zult uitgewisseld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van uit bw en wisselen ww
Woordfamilie van uitwisselen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| uitgewisseld | voltooid deelwoord | uitwisselen |
| uitgewisselde | woordvorm | uitwisselen |
| uitwissel | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitwisselen |
| uitwisselde | subordinate-clause, verleden tijd | uitwisselen |
| uitwisselden | subordinate-clause, verleden tijd | uitwisselen |
| uitwissele | with-subordinate-clause | uitwisselen |
| uitwisselend | onvoltooid deelwoord | uitwisselen |
| uitwisselende | woordvorm | uitwisselen |
| uitwisselt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitwisselen |
| wissel uit | gebiedende wijs | uitwisselen |
| wisselde uit | verleden tijd | uitwisselen |
| wisselden uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | uitwisselen |
| wissele uit | woordvorm | uitwisselen |
| wisselen uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | uitwisselen |
| wisselt uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | uitwisselen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitwisselen zijn vastgelegd.