wisselen
werkwoord /wɪsələ(n)/Betekenis
- veranderen
- op een ander spoor overgaan van treinen
- het een voor het ander nemen of geven
- groot geld ruilen voor klein geld of geld ruilen voor andere valuta
- wisselen van woorden of gedachten: met elkaar praten; voeren van een gesprek
Hoe spreek je wisselen uit?
/wɪsələn/
Wisselen bestaat uit drie lettergrepen.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| w | quiz |
| ɪ | pit |
| s | sok |
| ə | de |
| l | land |
| n | nek |
Vervoeging van wisselen
wisselenhele werkwoord — wisseldeverleden tijd enkelvoud — wisseldenverleden tijd meervoud — gewisseldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | wissel | wisselde |
| jij | wisselt | wisselde |
| hij, zij, het | wisselt | wisselde |
| wij | wisselen | wisselden |
| jullie | wisselen | wisselden |
| zij | wisselen | wisselden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gewisseld | verleden tijd, deelwoord |
| gewisseld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gewisseld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gewisseld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gewisseld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gewisseld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gewisseld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gewisseld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gewisseld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gewisseld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gewisseld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gewisseld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gewisseld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gewisseld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gewisseld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gewisseld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gewisseld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gewisseld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben gewisseld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te wisselen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen wisselen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| wissel | gebiedende wijs |
| wisselde | verleden tijd |
| wissele | aanvoegende wijs |
| wisselend | onvoltooid, deelwoord |
| zal gewisseld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gewisseld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gewisseld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal wisselen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal wisselen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal wisselen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gewisseld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gewisseld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gewisseld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou wisselen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou wisselen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou wisselen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gewisseld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gewisseld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gewisseld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden wisselen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden wisselen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden wisselen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gewisseld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt wisselen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gewisseld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gewisseld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gewisseld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen wisselen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen wisselen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen wisselen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen wisselen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gewisseld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult wisselen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘ruilen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240
Woordfamilie van wisselen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gewisseld | voltooid deelwoord | wisselen |
| gewisselde | woordvorm | wisselen |
| wisselde | verleden tijd | wisselen |
| wisselden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | wisselen |
| wissele | aanvoegende wijs | wisselen |
| wisselt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | wisselen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van wisselen zijn vastgelegd.