Naar de inhoud

inruilen

~ tegen: iets ouds verkopen terwijl men een nieuwe versie koopt

inruilen

werkwoord

Betekenis

  1. ~ tegen: iets ouds verkopen terwijl men een nieuwe versie koopt

Vervoeging van inruilen

inruilenhele werkwoord — ruilde inverleden tijd enkelvoud — ruilden inverleden tijd meervoud — ingeruildvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik ruil in ruilde in
jij ruilt in ruilde in
hij, zij, het ruilt in ruilde in
wij ruilen in ruilden in
jullie ruilen in ruilden in
zij ruilen in ruilden in
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben ingeruild voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent ingeruild voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is ingeruild impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was ingeruild impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd ingeruild impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt ingeruild impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal ingeruild worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal ingeruild zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou ingeruild worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou ingeruild zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had ingeruild voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had ingeruild voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had ingeruild voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden ingeruild voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden ingeruild voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden ingeruild voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt ingeruild voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb ingeruild voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben ingeruild actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben ingeruild voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben ingeruild voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben ingeruild voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt ingeruild voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft ingeruild voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft ingeruild voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
in te ruilen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
in te zullen ruilen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
in zal ruilen bijzin, toekomende tijd
in zou ruilen bijzin, voorwaardelijk
in zouden ruilen bijzin, voorwaardelijk
in zoudt ruilen bijzin, voorwaardelijk
in zullen ruilen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
in zullen ruilen bijzin, toekomende tijd
in zult ruilen bijzin, toekomende tijd
ingeruild verleden tijd, deelwoord
ingeruild te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
ingeruild te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
ingeruild te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
ingeruild te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
ingeruild te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
ingeruild worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
ingeruild zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
ingeruild zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
ingeruild zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
ingeruild zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
inruil bijzin, tegenwoordige tijd
inruilde bijzin, verleden tijd
inruilden bijzin, verleden tijd
inruilend onvoltooid, deelwoord
inruilt bijzin, tegenwoordige tijd
is ingeruild voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is ingeruild voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
ruil in gebiedende wijs
ruilde in verleden tijd
te hebben ingeruild actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen inruilen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart ingeruild voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren ingeruild voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren ingeruild voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren ingeruild voltooid, verleden tijd, derde persoon
was ingeruild voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was ingeruild voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was ingeruild voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd ingeruild enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd ingeruild enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd ingeruild enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden ingeruild enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden ingeruild enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden ingeruild enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt ingeruild enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word ingeruild enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden ingeruild enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden ingeruild enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden ingeruild enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt ingeruild enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt ingeruild enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal ingeruild hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal ingeruild hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal ingeruild hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal ingeruild worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal ingeruild worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal ingeruild zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal ingeruild zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal inruilen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal inruilen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal inruilen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal inruilen bijzin, toekomende tijd
zijn ingeruild voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn ingeruild voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn ingeruild voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt ingeruild voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou ingeruild hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou ingeruild hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou ingeruild hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou ingeruild worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou ingeruild worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou ingeruild worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou ingeruild zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou ingeruild zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou ingeruild zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou inruilen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou inruilen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou inruilen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou inruilen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) inruilen in zou(dt) ruilen bijzin, voorwaardelijk
zouden ingeruild hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden ingeruild hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden ingeruild hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden ingeruild worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden ingeruild worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden ingeruild worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden ingeruild zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden ingeruild zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden ingeruild zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden inruilen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden inruilen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden inruilen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden inruilen bijzin, voorwaardelijk
zoudt ingeruild hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt ingeruild worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt ingeruild zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt inruilen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt inruilen bijzin, voorwaardelijk
zullen ingeruild hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen ingeruild hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen ingeruild hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen ingeruild worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen ingeruild worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen ingeruild worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen ingeruild zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen ingeruild zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen ingeruild zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen inruilen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen inruilen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen inruilen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen inruilen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen inruilen bijzin, toekomende tijd
zult ingeruild hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van in bw en ruilen ww

Woordfamilie van inruilen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
ingeruild voltooid deelwoord inruilen
ingeruilde woordvorm inruilen
inruil subordinate-clause, tegenwoordige tijd inruilen
inruilde subordinate-clause, verleden tijd inruilen
inruilden subordinate-clause, verleden tijd inruilen
inruile with-subordinate-clause inruilen
inruilend onvoltooid deelwoord inruilen
inruilende woordvorm inruilen
inruilt subordinate-clause, tegenwoordige tijd inruilen
ruil in gebiedende wijs inruilen
ruilde in verleden tijd inruilen
ruilden in aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon inruilen
ruile in woordvorm inruilen
ruilen in aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon inruilen
ruilt in aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon inruilen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van inruilen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over inruilen

Wat betekent inruilen?
Inruilen is een werkwoord. Het woord betekent: ~ tegen: iets ouds verkopen terwijl men een nieuwe versie koopt.
Hoe vervoeg je inruilen?
Je vervoegt inruilen als volgt: het voltooid deelwoord is ingeruild. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord inruilen is 14 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. I 1
  2. N 1
  3. R 2
  4. U 4
  5. I 1
  6. L 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 14 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

inruilen levert met Wordfeud minimaal 14 en maximaal 60 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. I 2
  2. N 1
  3. R 2
  4. U 2
  5. I 2
  6. L 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 14 zonder bonus
  10. 60 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (L) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

inruilen in het kort

inruilen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van inruilen zijn 88 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort inruilen bij een woordfamilie van 15 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

inruilen: ~ tegen: iets ouds verkopen terwijl men een nieuwe versie koopt
Deel inruilen — standaardnederlands.nl