Naar de inhoud

uitwegen

bij het gewicht verkopen

uitwegen is meer dan één woord

uitwegen

werkwoord, zelfstandig naamwoord

Betekenis

  1. bij het gewicht verkopen

Vervoeging van uitwegen

uitwegenhele werkwoord — woog uitverleden tijd enkelvoud — wogen uitverleden tijd meervoud — uitgewogenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik weeg uit woog uit
jij weegt uit woog uit
hij, zij, het weegt uit woog uit
wij wegen uit wogen uit
jullie wegen uit wogen uit
zij wegen uit wogen uit
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben uitgewogen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent uitgewogen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is uitgewogen impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was uitgewogen impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd uitgewogen impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt uitgewogen impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal uitgewogen worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal uitgewogen zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou uitgewogen worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou uitgewogen zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had uitgewogen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had uitgewogen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had uitgewogen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden uitgewogen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden uitgewogen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden uitgewogen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt uitgewogen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb uitgewogen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgewogen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben uitgewogen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgewogen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben uitgewogen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt uitgewogen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgewogen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgewogen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is uitgewogen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is uitgewogen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben uitgewogen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen uitwegen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit te wegen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uit te zullen wegen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit zal wegen bijzin, toekomende tijd
uit zou wegen bijzin, voorwaardelijk
uit zouden wegen bijzin, voorwaardelijk
uit zoudt wegen bijzin, voorwaardelijk
uit zullen wegen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uit zullen wegen bijzin, toekomende tijd
uit zult wegen bijzin, toekomende tijd
uitgewogen verleden tijd, deelwoord
uitgewogen te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgewogen te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgewogen te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgewogen te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgewogen te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgewogen worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgewogen zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgewogen zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgewogen zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgewogen zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitweeg bijzin, tegenwoordige tijd
uitweegt bijzin, tegenwoordige tijd
uitwegend onvoltooid, deelwoord
uitwogen bijzin, verleden tijd
uitwoog bijzin, verleden tijd
waart uitgewogen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgewogen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren uitgewogen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgewogen voltooid, verleden tijd, derde persoon
was uitgewogen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was uitgewogen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was uitgewogen voltooid, verleden tijd, derde persoon
weeg uit gebiedende wijs
werd uitgewogen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd uitgewogen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd uitgewogen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden uitgewogen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden uitgewogen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden uitgewogen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt uitgewogen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
woog uit verleden tijd
word uitgewogen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden uitgewogen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden uitgewogen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden uitgewogen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt uitgewogen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt uitgewogen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal uitgewogen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgewogen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal uitgewogen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitgewogen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgewogen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal uitgewogen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgewogen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitwegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal uitwegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal uitwegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal uitwegen bijzin, toekomende tijd
zijn uitgewogen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn uitgewogen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn uitgewogen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt uitgewogen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou uitgewogen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgewogen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgewogen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitgewogen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgewogen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou uitgewogen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgewogen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgewogen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgewogen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitwegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou uitwegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou uitwegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou uitwegen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) uitwegen uit zou(dt) wegen bijzin, voorwaardelijk
zouden uitgewogen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgewogen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgewogen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitgewogen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitgewogen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitgewogen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitgewogen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgewogen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgewogen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitwegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitwegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitwegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden uitwegen bijzin, voorwaardelijk
zoudt uitgewogen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitgewogen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitgewogen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitwegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt uitwegen bijzin, voorwaardelijk
zullen uitgewogen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgewogen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgewogen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitgewogen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitgewogen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitgewogen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitgewogen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgewogen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgewogen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitwegen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen uitwegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitwegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitwegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen uitwegen bijzin, toekomende tijd
zult uitgewogen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord uitweg

Herkomst

samenstelling van uit en wegen

Woordfamilie van uitwegen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
uitgewogen voltooid deelwoord uitwegen
uitweeg subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitwegen
uitweegt subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitwegen
uitwege with-subordinate-clause uitwegen
uitwegend onvoltooid deelwoord uitwegen
uitwegende woordvorm uitwegen
uitwogen subordinate-clause, verleden tijd uitwegen
uitwoog subordinate-clause, verleden tijd uitwegen
weeg uit gebiedende wijs uitwegen
weegt uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon uitwegen
wege uit woordvorm uitwegen
wegen uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon uitwegen
wogen uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon uitwegen
woog uit verleden tijd uitwegen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitwegen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over uitwegen

Wat betekent uitwegen?
Uitwegen is een werkwoord. Het woord betekent: bij het gewicht verkopen.
Hoe vervoeg je uitwegen?
Je vervoegt uitwegen als volgt: het voltooid deelwoord is uitgewogen. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord uitwegen is 18 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. U 4
  2. I 1
  3. T 2
  4. W 5
  5. E 1
  6. G 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 18 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

uitwegen levert met Wordfeud minimaal 17 en maximaal 81 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. U 2
  2. I 2
  3. T 2
  4. W 5
  5. E 1
  6. G 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 17 zonder bonus
  10. 81 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (W) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

uitwegen in het kort

uitwegen is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Welke van de twee het is, hangt af van de zin. Van uitwegen zijn 88 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort uitwegen bij een woordfamilie van 14 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

uitwegen: bij het gewicht verkopen
Deel uitwegen — standaardnederlands.nl