uitweiden
werkwoordBetekenis
- ~ over uitgebreid, breedvoerig iets bespreken
- de ingewanden van dieren verwijderen en over het land verspreiden
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van uitweiden
uitweidenhele werkwoord — weidde uitverleden tijd enkelvoud — weidden uitverleden tijd meervoud — uitgeweidvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | weid uit | weidde uit |
| jij | weidt uit | weidde uit |
| hij, zij, het | weidt uit | weidde uit |
| wij | weiden uit | weidden uit |
| jullie | weiden uit | weidden uit |
| zij | weiden uit | weidden uit |
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had uitgeweid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had uitgeweid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had uitgeweid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden uitgeweid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden uitgeweid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden uitgeweid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt uitgeweid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb uitgeweid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgeweid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben uitgeweid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgeweid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben uitgeweid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt uitgeweid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgeweid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgeweid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben uitgeweid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen uitweiden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit te weiden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uit te zullen weiden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit zal weiden | bijzin, toekomende tijd |
| uit zou weiden | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zouden weiden | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zoudt weiden | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zullen weiden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uit zullen weiden | bijzin, toekomende tijd |
| uit zult weiden | bijzin, toekomende tijd |
| uitgeweid | verleden tijd, deelwoord |
| uitgeweid te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgeweid zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitweid | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitweidde | bijzin, verleden tijd |
| uitweidden | bijzin, verleden tijd |
| uitweidend | onvoltooid, deelwoord |
| uitweidt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| weid uit | gebiedende wijs |
| weidde uit | verleden tijd |
| zal uitgeweid hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgeweid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal uitgeweid hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uitweiden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal uitweiden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal uitweiden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal uitweiden | bijzin, toekomende tijd |
| zou uitgeweid hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgeweid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgeweid hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uitweiden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou uitweiden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou uitweiden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou uitweiden | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) uitweiden uit zou(dt) weiden | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden uitgeweid hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgeweid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgeweid hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitweiden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitweiden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitweiden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden uitweiden | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt uitgeweid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitweiden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt uitweiden | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen uitgeweid hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgeweid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgeweid hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitweiden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen uitweiden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitweiden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitweiden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen uitweiden | bijzin, toekomende tijd |
| zult uitgeweid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult uitweiden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult uitweiden | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal uitweiden uit zult/zal weiden | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
In de betekenis van ‘in den brede behandelen’ voor het eerst aangetroffen in 1644
Woordfamilie van uitweiden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| uitgeweid | voltooid deelwoord | uitweiden |
| uitgeweide | woordvorm | uitweiden |
| uitweid | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitweiden |
| uitweidde | subordinate-clause, verleden tijd | uitweiden |
| uitweidden | subordinate-clause, verleden tijd | uitweiden |
| uitweide | with-subordinate-clause | uitweiden |
| uitweidend | onvoltooid deelwoord | uitweiden |
| uitweidende | woordvorm | uitweiden |
| uitweidt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitweiden |
| weid uit | gebiedende wijs | uitweiden |
| weidde uit | verleden tijd | uitweiden |
| weidden uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | uitweiden |
| weide uit | woordvorm | uitweiden |
| weiden uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | uitweiden |
| weidt uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | uitweiden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitweiden zijn vastgelegd.