uitvragen
werkwoord ˈœytfraɣə(n)Betekenis
- indringend en uitgebreid vragen stellen
- proberen door vragen iets te weten te komen wat iemand eigenlijk geheim of verborgen wil houden
- vragen of iemand met je uit wil gaan
Hoe spreek je uitvragen uit?
/ˈœytfraxən/
Uitvragen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| œy | huis |
| t | tak |
| f | fiets |
| r | rood |
| a | maan |
| x | acht |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van uitvragen
uitvragenhele werkwoord — vraagde uitªverleden tijd enkelvoud — vraagden uitªverleden tijd meervoud — uitgevraagdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | vraag uit | vraagde uitª |
| jij | vraagt uit | vraagde uitª |
| hij, zij, het | vraagt uit | vraagde uitª |
| wij | vragen uit | vraagden uitª |
| jullie | vragen uit | vraagden uitª |
| zij | vragen uit | vraagden uitª |
Alle 77 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had uitgevraagd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had uitgevraagd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had uitgevraagd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden uitgevraagd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden uitgevraagd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden uitgevraagd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt uitgevraagd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb uitgevraagd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgevraagd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben uitgevraagd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgevraagd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben uitgevraagd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt uitgevraagd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgevraagd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgevraagd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben uitgevraagd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen uitvragen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit te vragen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uit te zullen vragen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit zal vragen | bijzin, toekomende tijd |
| uit zou vragen | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zouden vragen | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zoudt vragen | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zullen vragen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uit zullen vragen | bijzin, toekomende tijd |
| uit zult vragen | bijzin, toekomende tijd |
| uitgevraagd | verleden tijd, deelwoord |
| uitgevraagd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgevraagd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitvraag | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitvraagdenª | bijzin, verleden tijd |
| uitvraagdeª | bijzin, verleden tijd |
| uitvraagt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitvragend | onvoltooid, deelwoord |
| uitvroeg | bijzin, verleden tijd |
| uitvroegen | bijzin, verleden tijd |
| vraag uit | gebiedende wijs |
| vraagde uit | verleden tijd |
| vroeg uit | verleden tijd |
| zal uitgevraagd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgevraagd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal uitgevraagd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uitvragen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal uitvragen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal uitvragen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal uitvragen | bijzin, toekomende tijd |
| zou uitgevraagd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgevraagd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgevraagd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uitvragen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou uitvragen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou uitvragen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou uitvragen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) uitvragen uit zou(dt) vragen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden uitgevraagd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgevraagd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgevraagd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitvragen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitvragen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitvragen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden uitvragen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt uitgevraagd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitvragen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt uitvragen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen uitgevraagd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgevraagd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgevraagd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitvragen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen uitvragen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitvragen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitvragen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen uitvragen | bijzin, toekomende tijd |
| zult uitgevraagd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult uitvragen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult uitvragen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal uitvragen uit zult/zal vragen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van uit bw en vragen ww
Woordfamilie van uitvragen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| uitgevraagd | voltooid deelwoord | uitvragen |
| uitvraag | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitvragen |
| uitvraagde | with-subordinate-clause | uitvragen |
| uitvraagden | with-subordinate-clause | uitvragen |
| uitvraagt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitvragen |
| uitvrage | with-subordinate-clause | uitvragen |
| uitvragend | onvoltooid deelwoord | uitvragen |
| uitvragende | woordvorm | uitvragen |
| uitvroeg | subordinate-clause, verleden tijd | uitvragen |
| uitvroegen | subordinate-clause, verleden tijd | uitvragen |
| vraag uit | gebiedende wijs | uitvragen |
| vraagde uit | verleden tijd | uitvragen |
| vraagden uit | woordvorm | uitvragen |
| vraagt uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | uitvragen |
| vrage uit | woordvorm | uitvragen |
| vragen uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | uitvragen |
| vroeg uit | verleden tijd | uitvragen |
| vroegen uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | uitvragen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitvragen zijn vastgelegd.